donderdag 31 mei 2012

Ga voor een scoop met Scoop.it

Sinds 1 april van dit jaar gebruik ik een Scoop.it pagina om allerlei artikelen die ik interessant vind bij elkaar te plaatsen. Het is een knipselkrant waarbij de Pritt stift niet van pas komt oftewel een webmagazine die in de 'cloud hangt'. Ik heb 1 topic pagina waar ik van alles met betrekking tot WEB 2.0, Zorg 2.0, MBO 2.0 en Master Vocational Educational plaats. Dit doe ik met artikelen die ik rescoop van topics die ik volg of zelf plaats door een URL te posten. Vaak schrijf ik een stukje tekst over dat wat ik heb gepost een soort Blog. En regelmatig share ik een artikel met Twitter zodat mijn volgers ook op de hoogte blijven. Ik vind het een zeer handzaam middel om allerlei nuttige informatie een plek te geven. Wat wordt er veel geschreven op het internet, okay het kaft moet je wel scheiden van het koren maar daar word je snel behendig in. Scoop.it kan heel goed als middel in het onderwijs een plek krijgen. Zo kan voor elk leerjaar op de opleiding verpleegkunde en verzorging BOL en BBL (MBO) een Scoop.it pagina worden aangemaakt met informatie die er toe doet en gebruikt kan worden in de lessen. En wanneer de Scoop.it pagina vanaf het eerste jaar wordt gevuld kan aan het eind van de opleiding in een tijdlijn alle ontwikkelingen van de verpleegkundige en verzorgende professie in kaart worden gebracht.
De docent hoeft niet degene te zijn die het in de lucht houdt, laat de studenten zelf verantwoordelijk zijn voor die Scoop.it pagina. Maak van elke student een journalist met zijn of haar scoop.  http://www.scoop.it/t/d-i-p-digital-in-progress

zondag 13 mei 2012

Study case of case study??

Zaterdag 12 mei stond lector Rudy Richardson op de STOAS een sterk college te geven over kwalitatief onderzoek. Een energieke man die voordat hij naar de voetbal ging met zijn zoontje een duidelijk verhaal over kwalitatief onderzoek kwam neerzetten. Duidelijk om een aantal redenen, hier enkele voorbeelden:
  1. In het onderzoeksplan komt alleen eerst je onderzoeksontwerp, de designmethoden komen later (interview, participerende observatie, groepgesprek).
  2. De onderzoeker staat centraal en staat in de werkelijkheid van het onderzoek.
  3. Neem als onderzoeker geen afstand van de wereld die wordt bestudeert. Let wel op betrokkenheid versus distantie.
  4. Vertrek vanuit een probleemstelling.
  5. Gebruik richtinggevende begrippen.
  6. Diepgang aanbrengen door inzichten te ontwikkelen in de context.
  7. Met behulp van digitale programma's de gegevens na codering invoeren.
  8. Je kunt kiezen voor coderen maar ook werken met een grove indeling zoals thema's.
  9. Er is geen maat voor hoeveel mensen betrokken worden in het onderzoek, hoeveel denk je er nodig te hebben? Wellicht ben je met gegevens verzadigd na vier interviews. Of heb je juist meer gegevens nodig en interview je nog enkele.
  10. Vertrek niet vanuit een controlegroep of experimentele groep, het is beschrijvend onderzoek waarbij vooraf niet vast hoeft te staan bij hoeveel mensen het onderzoek zal plaatsvinden.
Rudy Richardson ging uitgebreid in op de validiteit en betrouwbaarheid van kwalitatief onderzoek, door oa door -memberchecking en intersubjectiviteit toe te passen. En hij gaf voorbeelden en uitleg over drie designtypen:
http://blog.hootsuite.com/category/case-study/
De GT-benadering, de case study en participatief actie onderzoek. 
Het design Case Study is van toepassing op mijn onderzoeksinnovatie opdracht omdat, wat, hoe en waarom vragen centraal staan. Omdat het verschijnsel hedendaags is in de real context te bestuderen. De term gevalsbeschrijving ipv case study dekt wellicht meer de lading omdat het onderzoek plaats vindt naar een situatie waarbij tutors door het uitvoeren van peer tutoring wel of niet komen tot leereffecten.Onderzoek doen naar een permanent fenomeen in een real-life context (Yin, 2003). Een diepte onderzoek waarbij verkennend onderzoek wordt gedaan naar de leereffecten van peer tutoring. 

zaterdag 12 mei 2012

Een blik instructional design(s)

Vrijdag 11 mei wederom naar Wageningen getogen voor een lesdag didactiek. Bij het thema didactiek stonden twee grote didactische begrippen centraal: instructional design en werkplekleren.In het vorige Blog beschreef ik over IDI, 4C/ID en webquest. Nu wil ik het design van Schank daarbij voegen: Learning by doing, the GBSs structure (goal-based scenario(s)) In het expertgroepje instructional design en design theory was dit design 1 van de artikelen die gelezen moesten worden en welke ik kort heb gepresenteerd aan de hele groep. Ik vertelde dat dit design en de theorie over leren die er achter zit (CBR= cased-based reasoning) uitgaat van het belief dat een student leert door te doen en niet door droge kennis te vergaren voor een test.
'Life requires us to do more than it requires us to know.' Daarnaast is een belangrijk gegeven dat leren alleen plaats kan vinden in een gesimuleerde omgeving. 'The best way to teach is to place students in situations in which the goals the wish to achieve require the aquistion of the knowledge and skills you wish to impart.'
De theorie over leren (CBR) gaat er vanuit dat een student in 5 stappen zijn geheugen (library) vult door doelen te stellen, een plan te maken, verwachtingen vast te stellen en als de verwachting niet uit komt dan gaat de student een verklaring zoeken voor die failure en dan is die student aan het leren. Het uiteindelijke design wat hier achter zit dus de wijze waarop het onderwijs wordt vormgegeven bestaat uit 7 stappen waarbij het vertrekpunt is dat de student klaar is om informatie te ontvangen. Dit design kun je teruglezen in hoofdstuk 8 van Instructional-Design Theorie and Models van Reigeluth (1999).
Op YouTube zijn korte filmpjes van Schank te uploaden zoals deze over het nut van simulatie:

De dag zijn nog een aantal id's de revue gepasseerd die nu zo terugdenkend niet strak op mijn netvlies staan. Dat is jammer want het doet de andere groepen geen recht. Ik weet niet waar dit aanligt, ik weet wel dat het valt en staat met een goede presentatie. De inhoud is al niet zo spannend en dus ligt er een uitdaging bij de presentator dit energiek over te brengen. In een aantal gevallen is dit mi niet gelukt. In de avond werd de groep (inter)actiever omdat de opdracht zich daarvoor leende. De feedback die ik kreeg op mijn didactische vraag voor in het team heeft mij geholpen deze vraag aan te scherpen, het is nog niet helemaal okay maar mijn didactische vraag voor in het team is als volgt:
'Peer tutoring is een werk- en leervorm die onderdeel van het curriculum wordt, hoe krijg ik mijn collega's mee in het uitdragen van de kracht achter peer tutoring en het daadwerkelijke uitvoeren ervan?'

zaterdag 28 april 2012

And the winner is:

Voor het thema didactiek ben ik aan het lezen over instructional design; 4C/ID-model, Romiszowski en andere modellen. Wat is het beste ontwerp om onderwijs vorm te geven te ontwerpen, wat is de plek van de docent, de plek van de lerende en al die andere die er mee te maken hebben of krijgen. Is het verstandig te vertrekken van een probleem of vanuit een behoeften of vanuit ........vul maar in. Natuurlijk als toekomstig onderzoeker en innovator moet ik allerlei verschillende modellen kennen, maar het is veel. Soms ook snap ik niet wat de schrijver/bedenker bedoelt, zo schrijft  Merril (2002) over een doelstellingenmatrix, presentatietaxonomie, gedrags- en inhoudsniveau, ik kan de samenhang niet gelijk pakken.
Het valt mij op dat ik de verschillende modellen al langs een denkbeeldige meetlat leg, ik vind het bijvoorbeeld belangrijk dat ik in het model geschreven wordt over het neerzetten van een krachtige leeromgeving (of in woorden van die strekking) dat duidelijk is dat met in dat model aandacht is voor kennis constructie. En ik houd van concrete duidelijke stappen, het ontwerp loopt van A naar B en niet via C. Twee ontwerpen spreken aan: 1. de opzet van het I D I, 2. het 4C/ID model en ik wil uitzoeken wat de rol is van webquest. De deskresearch is ook nog niet klaar, daarnaast hoop ik op KF ook nog ideeën op te doen. Dus: wordt vervolgd.

zondag 15 april 2012

Statistiek


Zaterdagmorgen 14 april, 3 uur aan de slag met statistiek bij het thema onderzoek met Joan. Statistiek het onderdeel van de master leren en innoveren waar ik niet hard voor loop, althans nog niet.  



Wikipedia: Statistiek is de wetenschap, de methodiek en de techniek van het verzamelen, bewerken, interpreteren en presenteren van gegevens. Het is een onderdeel van de wiskundeA. Slotboom: Statistiek is een getal dat volgens bepaalde regels wordt  berekend uit de steekproefgegevens. Dat kan gebruikt worden om een populatiewaarde te schatten, of om een hypothese te toetsen.
Joan zet ons aan het werk, prima de belangrijkste begrippen zijn opgezocht beschreven en gedeeld met de hele groep. Fijn dat een aantal mastergenoten zo goed in de materie zitten en met duidelijke voorbeelden komen: Wiranda met de dropjes (= standaarddeviatie), Harriet met de dobbelsteen (waarschijnlijkheid en kansberekening) en Jan M. met de snorrendoos (=boxplot) en de mediaan.
Fijn dat een aantal mastergenoten ook op mijn niveau zitten en zich regelmatig achter de oren krabbelen. Termen als correlatie, validiteit en regressie, de termen zijn bekend echter in een andere context. Goed, Joan gaf de tip om de online cursus van Dokter Stat te gaan volgen voor 7 euro 50. Lijkt mij een prima plan.
Ik realiseer mij dat ik de laatste tijd veel infografieken (infographics) bekijk een 'moderne' manier om data inzichtelijk te maken ipv bijv. een histogram. Het is een combinatie van tekst en beeld en veelal kleurrijk. Hieronder een voorbeeld met als inhoud waarom infographics IN zijn:
yune.nl

Denken in assessen

Deze Wordle is de productie van de eerste bijeenkomst didactiek van Tom van Oeffelt op vrijdag 13 april. In de ochtend na een korte opstart zijn eerst de 5 korte presentaties geweest van de verschillende expertgroepen. Ik heb met input van het groepje Assessment; Wat is dat?,  een ppt samengesteld. Vanuit de verschillende bronnen stonden wij stil bij die vraag en opmerkelijk genoeg kregen we als feedback terug van de gastspreker; Niek van Benthum: 'Okay maar wat is u de samenhang tussen die verschillende bronnen, dus wat is nu assessment'. Ai, ik kon het niet gelijk beantwoorden. Niek gaf als tip om een eigen werktheorie rond het begrip Assessment te formuleren. En dat is mijn goal voor de komende week welke ik in een note op KF zal plaatsen. Want eerlijk gezegd met alle informatie verzameld op deze intensieve dag kan ik nog niet 1, 2 ,3 een korte omschrijving geven van het begrip assessment. Wat ik wel weet (en dat heb ik ook gezegd) ik kan mij niet vinden in de werktheorie van Niek van Benthum omdat hij zo expliciet het leslokaal centraal zet. In de werktheorie die ik ga formuleren zal de krachtige leeromgeving centraal staan en dat is wat mij betreft niet het klaslokaal maar de praktijk. Niek gaf aan dat hij hiermee het assessment het klaslokaal in wil trekken, ja okay maar ik vind het klaslokaal en de activiteiten die daar plaats vinden niet de krachtigste   leeromgeving voor de student.
Ik ga ook nadenken over hoe Afl en Aol binnen de werkplek is vormgegeven waarbij ik ook zal nagaan of een balans is te vinden tussen summatief en formatief assessments:

1. assessment FOR learning en assessment OF learning:
Afl= het leren van de lerende student stimuleren, bijvoorbeeld door feedback te geven op het leerproces of door peer- en self-assessment toe te passen.
Aol= het meten van de leerprestaties, bijvoorbeeld het beoordelen van toetsen dit vast leggen van prestaties geeft een beeld van de student naar buiten toe.

2. Summative assessment en formative assessment:
Sa= vastleggen wat de student bereikt heeft na een bepaalde periode, selectief toetsend (niet altijd kwalificerend)
Fa= Op elk moment van het leerproces feedback geven aan de student
In onderstaand schema wordt de samen hang tussen beide gegeven:
Schema N. van Benthum


zondag 1 april 2012

Studiumoogstdag Onderwijsleerpsychologie

De tweede studiumoogstdag heeft plaatsgevonden. Het paper met de titel: Het nieuwsgierige moment, is ingeleverd bij Hanneke de Laat, themakerndocent onderwijsleerpsychologie. Nu eerst wachten of het paper, ontvankelijk verklaard wordt en zoja dan over 3 weken de uitslag.
Nico was de stalmeester van de dag en trapte af aan het begin van de ochtend met een warm welkom. De groepen presenteerde zichzelf met een pakkend zin, ik riep: "Nieuwsgierig hoe het denken in voorstellingen en beelden de student doet leren, kom met ons groepje mee". En 3 van de 10 gasten hebben bij ons plaats genomen.
Met de groep: 'Imaginair leren' bestaande uit Len, Jan M. en Nico hebben we de bijeenkomst van het studium gedaan. Aan de hand van  twee briefjes werd vooraf ingevuld: 1. Wat voor beeld heb je over imaginiar leren en 2. Als je straks de deur uit stapt wat wil je geleerd hebben of wat wil je te weten komen? In de dropbox: studiumoogstdagonderwijspsychologie zit wat film materiaal. Het was een zinnige bijeenkomst, waarbij alle uitkomsten op kaarten zijn vermeld en die uitspraken zijn gebruikt bij de grote evaluatie/nabespreking met de andere groepen. Zinnig omdat ondanks het vele gepraat wat al heeft plaats gevonden in de Skype sessies met de CoP, heb ik toch weer nieuwe dingen gehoord, zoals het denken in een andere dimensie! De gasten hadden moeite met het beetpakken van de materie, iets wat mij nu duidelijk is: Imaginair leren laat zich niet beetpakken! Het leerrendement is niet direct te 'toetsen' het is een proces van ontwikkeling.
DIALOOG
OPBRENGST

De volgende opbrengsten geef ik expliciet weer omdat ze pakkend zijn:
Imaginair leren = Regisseur van je eigen gedachten Kiezen uit scenario's Het onmogelijke in je hoofd fysiek mogelijk maken Vrijheid onbeperkte mogelijkheid Een andere dimensie


Na alle opbrengsten van de verschillende groepen zag ik de link tussen de groep imaginair leren en de groep brein en leren:
Jelle Jolles (2011) schrijft in Ellis en het verbreinen over het fenomeen verbreinen. Hier ligt die link met imaginair leren, want als je bijvoorbeeld met een student in gesprek gaat over de consequenties van zijn/haar gedrag en je laat de student daar een voorstelling van maken dan is de student aan het imaginair leren en aan het verbreinen. Immers de student kan de gevolgen van de actie nog niet overzien en heeft daar de hulp nodig van de docent (=verbreinen) en de docent doet dit door de student een voorstelling te laten maken in het hoofd van die situatie in de toekomst (=imaginair leren). En als de 'jonge' student aan het verbreinen is dan zet hij de prefrontale schors van het brein aan het werk, dat deel waar de beslissingen worden genomen, keuzes worden gemaakt en acties gepland. De netwerken worden verstevigd en verbindingen worden gelegd met andere delen van de hersenen.
Altijd leuk zo'n aha moment: