zaterdag 9 maart 2013

Studium Boundary Crossing

Vrijdag 8 maart 2013 heeft het laatste studium plaatsgevonden van de Master-cohort 1112 thema; Omgeving, ecologie van innoveren. Deze studium dagen zijn slechts een korte weergave van al die thema's die centraal staan in de MLI, niet elk theorie of model belandt uiteindelijk op deze oogstdag. Een studium is wel de kers op de taart. Zo ook bij dit studium: Boundary Crossing. Mastergenoten presenteerden zelf ontwikkelde modellen over leernetwerken en coachingsgesprekken met studenten, gaven hun visie op zelfsturing in relatie tot resultaten en vertelden over hoe de inspectie op onderwijs te werk gaat. Er was ook een fysieke bijdrage in de vorm van video-reflectie, zo kon je in de hal van de school een bal schieten op een korf en deze actie werd op beeld vastgelegd. Dat beeldmateriaal werd besproken. Deze mastergenoten hebben in hun guerilla case study bekeken in hoeverre video-reflectie bij sport ook in het onderwijs toegepast kan worden.

Samen met mastergenoot Edwin Hutting heb ik gepitcht over de opbrengst van onze guerrilla case study, illustratief samengebracht in deze poster:
De januskop is beeldspraak voor iets dat tegengestelde karakteristieken kan hebben. Edwin en ik doen beide onderzoek naar het gebruik van social media in het onderwijs. Hij doet dit vanuit de context van het Albeda College, opleiding marketing en communicatie en ik vanuit de context van het MBO Utrecht, opleiding verpleegkunde en verzorging. Hij richt zich op Whatsapp en ik op Facebook. Samen hebben wij ons gericht op de situatie bij de minor High Care van de HAN in Nijmegen, daar heeft het veldonderzoek plaatsgevonden. Binnen de minor High Care wordt Skype en bloggen binnen de elo Scholar, ingezet ter ondersteuning van het begeleiden op afstand. De studenten lopen namelijk stage door het gehele land en op deze manier wordt tijd- en plaatsonafhankelijk met de studenten het contact onderhouden.
Beide docenten zijn boundary crossers, zij gaan de grens over door te 'experimenteren' met social media in het onderwijs en fungeren als bruggenbouwers naar andere collega's toe. Zij worden door het lectoraat leren en innoveren binnen de HAN gestimuleerd om ambassadeurs te zijn voor deze innovatie. Dit laatste staat centraal in het themaproduct wat ik heb geschreven. Ik leg in het themaproduct: 'Wie bouwt de brug?', de relatie tussen de rol van early adopters (Rogers, 2003), het fenomeen boundary crossing en co-creatie. 
Tijdens het onderdeel markplaats, ben ik in gesprek gegaan met mensen die belangstelling hebben in het toepassen van social media in het onderwijs. Netwerken gaat altijd door. Op het laatst kwam ik in gesprek met een oud Stoas student. Hij gaf mij iets mee wat mij aan het denken zet. Hij vertelde dat hij altijd online is voor zijn werk en privé. Dus op een werkdag (9-5) is hij ook bezig met het posten van berichten op zijn Facebook-pagina. Hij (h)erkent hier geen grenzen. Ik wel, ik ben indien nodig op de dag en in de avond met mijn werk bezig en bereikbaar, maar tijdens mijn werk ben ik niet bezig met iets wat in de persoonlijke sfeer ligt. Ik stuur geen tweets of privé mails en bezoek geen sites om een vakantie te boeken. Waarom wel (bijna) 24-7 bereikbaar zijn voor het werk maar niet privé? Over boundary crossing gesproken!

zondag 10 februari 2013

CAUTION: CONTENT'S HOT

Caution: content's hot, is de titel van de presentatie die ik en drie mastergenoten afgelopen vrijdag de 8e februari op de MLI hebben gegeven.
De opdracht was twee leidinggevende van de Belastingdienst te adviseren over hoe zij het leren van professionals in hun organisatie vorm en inhoud kunnen geven. Reneé van Tulder en Bauke Zeilstra zijn werkzaam bij het CKC (centrum voor kennis en communicatie) daar waar oa alles rond opleiden georganiseerd wordt. En sinds enige tijd is daar ook de belastingdienst-academie. Het onderwerp past in het thema; omgeving, de ecologie van innoveren. En deze laatste themadag heeft de docent Ilya Zitter weer een interessant programma opgesteld.
In de betreffende presentatie hebben wij de focus gelegd op informeel leren binnen de Belastingdienst. Het letterlijk achter de pc vandaan komen en dan bij de koffieautomaat tot kenniscreatie of kennis delen te komen, met een bekertje koffie in de hand (en pas op, de inhoud is heet!).
Wat schetst onze verbazing het CKC heeft alle vormen van leren eigenlijk al omarmd. De Belastingdienst is een organisatie waarbinnen loopbaan- en werkplek leren al een historie heeft, het is feitelijk een leerbedrijf in een bedrijf met bijna 30.000 werknemers. Traditioneel leren en e-learning vinden plaats en dan niet alleen bij de Belastingdienst zelf maar ook bij de andere faculteiten zoals de FIOD en de Douane. Reneé van Tulder en Bauke Zeilstra hebben ons een blik in de keuken van de Belastingdienst gegeven waar ik geen weet van had. Ze hebben ons meegenomen in het proces van het aansturen van leidinggevenden die medewerkers begeleiden bij het leren binnen de Belastingdienst. De belangrijkste taak is het organiseren van leren.
Een aantal uitgangspunten in het organiseren van leren benoem ik hier:
1. Performance. Hoe draagt een opleidingstraject bij aan de performance van de medewerker en daar uit voortvloeiend; de performance van die afdeling en uiteindelijk de performance van de gehele organisatie?
2. Het hanteren van het 70-20-10 guideline principe van Jennings. 70% van het leren vindt plaats op de werkvloer, 20% door mee te kijken en te overleggen met een collega en 10% formeel via klassikale kennisoverdracht en e-learning.
3. Kennisnetwerken organiseren, online en offline. Online via een intern platform zoals, ConnectPeople en offline via het organiseren van netwerkdagen.
4. Laat moderatoren nieuwe ontwikkelingen de organisatie in brengen, uitvoeren en bewaken. Het proces van narrowcasting naar broadcasting.
5. Het erkennen van de kennis-deler, creëer een format waar bij de medewerker die kennis deelt daarvoor erkent en beloont wordt. Zo wordt kennis delen aantrekkelijk.

Op welke manier kunnen deze uitgangspunten een functie krijgen binnen het onderwijs dat ik uitvoer, immers een hele andere omgeving dan de Belastingdienst.
Ik ben een wars van statements als, performance of zoals bij het MBO Utrecht; ambitie in leren. Ik denk dat een docent die gelooft in de organisatie waar hij/zij werkt die gelooft in goed en innovatief onderwijs en die gaat voor zijn studenten, geen fancy woorden nodig heeft.
En jawel leren door te doen staat hoog in mijn vaandel, zie bijvoorbeeld mijn blog van zondag 8 juli 2012 en zaterdag 12 mei 2012. Daarom spreekt mij het 70-20-10 model van Jennings aan. Echter in hoeverre dit wetenschappelijk is bewezen, ik vind geen bewijs. Reneé van Tulder gaf ook de naam Lombardo in dit verband. En ja, Lombardo en Eichinger geven wel een aantal hits op Google.Scholar, maar dat zegt nog niks over het wetenschappelijk verhaal achter hun denkwijze. Mijn collega Paul zegt dan terecht: 'Pas op voor Bellmans' Fallacy; What i tell you three times is true!' Hij vond bewijs dat er gesproken wordt over een vuistregel ipv een aantoonbaar bewezen model.
Neemt niet weg het volgende informatieve filmpje over het 70-20-10 model in dit blog te plaatsen:

Ik vind het delen van kennis onder medewerkers heel belangrijk. Mijn activiteiten op Blogger, Scoop.it en Twitter zijn daar voorbeelden van, maar ook het f2f kennis overdragen neem ik serieus. Blended learning dus tussen mij en mijn collega's en ook tussen mij en mijn studenten. Ik erken de belangrijkheid van de drie laatste uitgangspunten. Het wordt tijd dat ik eens een kopje koffie ga drinken met mijn directeur!

zondag 20 januari 2013

De Groene Grens

Het is een grappig fenomeen, wanneer je met iets intensief bezig bent dan vallen zaken op waar je voorheen geen aandacht aan zou besteden. Zo zag ik allemaal kinderwagens toen ik voor het eerst zwanger werd, zag ik over al dezelfde auto's rijden als waar ik zelf net in reed en viel mij dit bord op in een weiland langs de A12 op weg naar de MLI in Wageningen op vrijdag 11 januari jl.:

Immers het thema: Omgeving, de ecologie van innoveren, staat nu centraal op de MLI bij Stoas Wageningen Vitentum Hogeschool. Dit thema gaat over grenzen. De Groene Grens genoemd op het bord gaat over het ontwikkelen van een natuurgebied op de grens tussen Veenendaal en Ede.
De grenzen die vrijdag 11 januari, tijdens de masterdag centraal stonden zijn geen letterlijke grenzen maar abstract. Zo hield Arthur Bakker (Freudenthal Instituut) een expertsessie over boundary crossing en welk leerpotentieel dit kan opleveren in een organisatie, vertelde Iris Bogers van Menzis over het co-creatie platform; Team Topzorg (grensverlegging in klantencontact) en de expertsessie van Hester Smulders en Aimée Hoeve van het ECBO ging over het rapport; 'Co-makership tussen onderwijs en bedrijfsleven: Modaliteiten van samenwerking in projecten onder het Innovatiearrangement'. Een onderzoek over het loslaten en vasthouden van grenzen in samenwerkingsverbanden tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.
In dit blog geef ik een impressie van wat deze expertsessies mij hebben opgeleverd:
Arthur Bakker geeft aan dat grenzen in een organisatie en nodig zijn en hinderlijk zijn en een leerpotentieel op kunnen leveren. Om niet letterlijk tegen grenzen aan te lopen (discontinuïteit) moet je over grenzen heen gaan. Dan doe je aan boundary crossing. Masterstudenten kunnen last hebben van discontinuïteit omdat zij nieuwe kennis opdoen (vaak in een nieuwe context) maar in de oude context verblijven en bijvoorbeeld met collega's te maken krijgen die niet vooruit willen. Echter een masterstudent kan die grens verleggen door als bruggenbouwer te gaan functioneren door de oude context met de nieuwe te verbinden. Zo informeer ik het team waar ik werkzaam ben over verschillende instructional designs met betrekking tot leerplan ontwikkeling en ga ik letterlijk op bezoek bij andere onderwijsinstellingen (de HAN en het Willem 1 College), en breng ik dat wat ik daar zie, terug in het team. Arthur Bakker spreekt over relational agency, relaties leggen met een buitenste schil, de eigen identiteit behouden en jezelf een nieuwe 'competentie' aanmeten opdat je verder komt.
En niet te vergeten ik ben een bruggenbouwer in het eigen leerproces van de MLI, immers ik sla bruggen tussen oude praktijken en nieuwe praktijken door nieuwe kennis op te doen en door concreet onderzoek te doen naar een grenzen verleggend traject in onderwijs (het gebruik van Facebook in combinatie met peer tutoring). Nu is het leerpotentieel op het moment dat ik een master ben gaan volgen vanaf dag één al aanwezig, bij dit thema gaat het erom dat ik dit in een breder context kan plaatsen zoals hierboven geschetst.
Arthur Bakker legde de nadruk in zijn betoog op het leerpotentieel binnen organisaties. Vier vormen van leermechanismen doen zich voor wanneer verbindingen tussen praktijken worden gelegd:
1. Identificatie, nieuwe inzichten in eigen praktijk (bijvoorbeeld praktijknabij onderzoek). 2. Coördinatie, het ontwikkelen van een nieuwe manier van uitwisseling en afstemming. 3. Reflectie, leren door naar elkaars perspectieven te kijken. 4. Transformatie, beide praktijken veranderen of er ontstaat een nieuwe tussen-praktijk.
Hier kan ik de relatie leggen met de expertsessie die plaats heeft gevonden met Hester Smulders en Aimée Hoeve van het ECBO, zij hebben een onderzoek verricht naar initiatieven die plaats vinden om de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven te verbeteren. Zij komen tot vijf vormen waarbij mijns inziens het leermechanisme; transformatie plaatsvindt. Want vanuit verschillende praktijken, zoals bij de 3e vorm ontstaat een nieuwe praktijk, een bedrijfsmatige leeromgeving die zij; 'Het bedrijf in de school', noemen. Tussen de onderwijsinstelling en het bedrijf ontstaat een nieuwe leeromgeving. De Waterfabriek is hier een voorbeeld van, Heineken heeft bijgedragen aan de realisatie van een bedrijfsmatige leeromgeving voor het Koning Willem I College (MBO), het Van Maerlant (VMBO) en Avans Hogeschool (HBO).
http://waterfabriek.tumblr.com
De Waterfabriek is gesitueerd binnen het Koning Willem I College maar staat 'los' van het school-gebouw. Een productielijn waar waterflesjes gevuld worden met water. Een zogenaamde omgekeerde leerweg. Deze vorm van opleiden is gerust innovatief te noemen, zo ervaar ik de werk- en leervorm peer tutoring die hier plaatsvindt vernieuwend voor het onderwijs. Een HBO'er begeleidt en instrueert een MBO'er en de oudere jaars MBO begeleidt en instrueert de jongere jaars student. To teach is to learn twice! En het is ook een concrete manier om doorlopende leerlijnen te realiseren.
En wat heeft de expertsessie van Iris Borgert van Menzis mij opgeleverd? Menzis, de zorgverzekeraar geeft haar klanten een stem. Door te participeren als klant op het co-creatie platform; Team TopZorg kan die stem geplaatst en gehoord worden en handen en voeten krijgen. Dit kan op 2 manieren, door zelf als klant iets op het digitale platform te plaatsen bijvoorbeeld een klacht of door te reageren op een vraag van Menzis zelf of van andere klanten. Beide vormen kunnen leiden tot een rode draad, een onderwerp wat verder in de organisatie wordt opgepakt en waar de participanten middels nieuwsbrieven op de hoogte worden gehouden van de vorderingen. Iris Bogers geeft aan dat deze co-creatie er voor zorgt dat iets wat groot is (Menzis, groot bedrijf met veel belangen, omvangrijk zorgstelsel en zorgaanbod) klein wordt. Het is toegankelijk voor de 'gewone' klant. Kennis wordt gedeeld. En de co-creatie heeft als gevolg dat mensen op horizontaal niveau met elkaar tot nieuwe inzichten komen. Samen komen tot nieuwe producten. Is dit nu een vorm van boundary crossing of van bruggenbouwen? Ik denk beide, Menzis gaat over de grens door de klant te betrekken bij het maken van beleid. Het is een vorm van boundary crossing door de grens te verleggen wordt de binding juist verstevigt tussen verschillende praktijken (de zorgverzekeraar en de verzekerde) en dit vindt plaats door middel van het digitale platform (de bruggenbouwer).
Ik sluit af met een woord dat Iris Bogers noemde en dat ik niet ken: dialoogpotentieel. Bij al deze vormen waarbij grenzen overschreden worden is het belangrijk dat er ruimte is voor dialoog! Wat mij betreft het woord van de week: dialoogpotentieel!

zaterdag 29 december 2012

Onderzoek Facebook en peer tutoring, wat er aan vooraf ging!

Op maandag 12 november is het onderzoek gestart waarbij ik onderzoek of in een traject van peer tutoring Facebook als communicatiemiddel ingezet kan worden. Tot nu toe heb ik daar nog niet over geblogd.........het wordt tijd dit wel te gaan doen.

Wat er aan vooraf ging:
Vanaf het moment dat ik gekozen heb de Master Leren en Innoveren te volgen aan de Vilentum Hogeschool Stoas Wageningen heb ik bedacht dat ik digitaal leren in welke vorm dan ook een plaats wil geven in het onderwijs waar ik verantwoordelijk voor ben: het verpleegkunde en verzorgende onderwijs aan de Utrechtse Zorgacademie van het MBO Utrecht. Waarom dit doel, wat maakt dat ik hier zo graag mee wil gaan 'experimenteren'? ICT en onderwijs zijn wat mij betreft onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Dit is gekomen nadat ik op mijn vorige werkplek (ROCMN) heb geparticipeerd in het project; 'Websquash'. In 2000/2001 draaide dit project samen met twee andere ROC's onder leiding van Mario de Jong. Het doel was om de communicatie tussen leerlingen en docent en tussen leerlingen onderling via internet tot stand te brengen. Hiervoor zijn e-leeractiviteiten ontwikkelt. Onder leiding van het bureau Edu-Assist deed ik ervaring op met het werken met de elo; Top Class.
Vanaf dat moment heb ik geparticipeerd in allerlei trajecten aangaande ict en onderwijs (Sonar, Volg+, LOI) en gaf ik les over ict en zorg. Ik kon en wilde digitaal leren gaan toepassen in het reguliere onderwijs. Met name het laatste traject, een verpleegkunde opleiding ontwikkelen voor de LOI, heeft mij veel opgeleverd. Hoe breng je de theorie en een beetje praktijk in een op-afstand-leren-concept van het LOI? Ik was alleen verantwoordelijk voor het inhoudelijke deel, echter het werken in de digitale omgeving van de LOI heeft mijn horizon wel verbreed. Hoe breng je bijvoorbeeld de boodschap online goed over en houdt de techniek simpel anders wordt dat het doel ipv de inhoud!
In 2009 ben ik overgestapt naar het MBO Utrecht en specifiek; de Utrechtse Zorgacademie, daar heb ik een opdracht uitgevoerd in samenwerking met V&VN en heb ik materiaal geschreven voor een website: www.zorgleefplanwijzer.nl. En ik heb er voor gekozen de Master Leren en Innoveren te gaan volgen met het idee mij te gaan bekwamen in blended learning. Wat kan ict naast het reguliere onderwijs betekenen voor de doelgroep waar ik les aangeef: de MBO-student.
Om mij te bekwamen op dat wat digitaal leren kan inhouden ben ik vanaf het toelatingsgesprek met de coördinator van de master, een blog gaan bij houden. En inmiddels ben ik 1½  jaar later, 79 blog's verder, twitter ik consequent en houd ik via Scoop.it twee digitale webmagazines bij.

Gedurende de wintercourse van de master ben ik geswitcht van het onderwerp blended learning naar social media en onderwijs. Eigenlijk om de eenvoudige reden dat ik zonder 'dure' toepassingen gelijk een onderzoek kan gaan uitvoeren met social media, immers een kosteloze digitale toepassing. En waarom niet gebruik maken van een toepassing die student al eigen is, waar ze de weg goed kunnen vinden.
En zoals het gaat met onderzoek was mijn invalshoek eerst nog heel breed, ik wilde iets met web 2.0 toepassingen en onderwijs en al snel werd die invalshoek steeds kleiner tot uiteindelijk ik de volgende onderzoeksvraag heb beschreven: Is Facebook als communicatiemiddel toepasbaar in een traject van peer tutoring en ontwikkelen de tutors en tutees daarbij vijf competenties.
Inmiddels na een positief GO gesprek met mijn studiecoach en de extern wetenschapper is het onderzoek inmiddels 6 weken aan de gang. In het volgende blog: Onderzoek Facebook en peer tutoring; het proces, zal  het onderzoek centraal staan.

dinsdag 25 december 2012

Social media en sociale wetenschap, wat verklaart wat?

Het afgelopen jaar heb ik vele onderzoeken, publicaties van oa Kennisnet en populaire boeken over social media gelezen. Bijna alles heeft een relatie tot onderwijs en met name het inzetten van social media in het onderwijs, daar immers gaat mijn aandacht naar uit. Een mastergenoot wees mij op een andere invalshoek, het fenomeen social media verklaart vanuit de wetenschap. Hij noemde specifiek Jan van Dijk, hoogleraar communicatiewetenschap aan de universiteit van Twente. Deze hoogleraar heeft een aantal artikelen geschreven over social media in relatie tot de sociale wetenschap. Hij is ook auteur van een hoofdstuk uit; Basisboek social media, een boek voor het HBO en het WO (D. van Osch & R. van Zijl, 2011). Dit is voor mij het eerste boek waarbij social media vanuit de wetenschap worden verklaard en ja natuurlijk in al die publicaties van onderzoeken die ik heb gelezen worden social media ook vanuit de wetenschap verklaard echter dat zijn specifieke onderzoeken, die slechts een deel belichten. In het hoofdstuk met als titel: 'Social media in de netwerkmaatschappij', schetst Jan van Dijk een totaal beeld van de plek die social media innemen in de maatschappij.
Een samenvatting in 10 punten:
Waarom passen social media in de huidige netwerkmaatschappij? Jan van Dijk schrijft er het volgende over:
1. Netwerkindividualisering, de mogelijkheid voor het individu om zelf het vertrekpunt te zijn en toch een zeer sociaal leven te leiden. Immers we leven in een netwerkmaatschappij, een maatschappij waarbij individuen communiceren met zelfverkozen andere individuen via sociale en media-netwerken.
Waren voorheen interpersoonlijke communicatie en massacommunicatie strikt gescheiden communicatie- soorten, social media bewegen zich tussen beide omdat:
2. Grensvervaging plaatsvindt tussen wat privaat en publiek is tussen zender en ontvanger.
3. De focus op het individu en/of op de collectiviteit ligt. Het hangt af van het type social media waar die focus ligt.
4. Er een verschil is in het media-aspect. Men spreekt hierbij van mediarijkdom, indien alleen gewerkt wordt met tekst spreekt men van een laag mediarijkdom, wordt er gewerkt met auditieve en visuele media dan spreek men van hoge mediarijkdom.
Welke verklaringen heeft Jan van Dijk voor de snelle verspreiding van social media:
5. Er is al langere tijd een latente sociale behoefte geweest om met behulp van social media te werken aan sociale contacten, ze doen een appel op extrinsieke en intrinsieke motivaties en het bieden concrete beloningen zoals amusement en sociale omgang (Uses and Gratifications Theory, Katz, Blumler & Gurevitch, 1974).
6. Het fenomeen social media is een innovatie die eerst door early adopters is opgepakt en daarna publiekelijk is gemaakt door naar populaire toepassingen te zoeken. Daarnaast is het afhankelijk van gebruiksvoordelen of een nieuw medium wordt geaccepteerd. Zoals de eenvoudigheid en observeerbaarheid (Innovatietheorie, Rogers, 1963).
7. Er bij willen horen. Netwerken hebben een aantrekkingskracht op mensen die er buiten vallen, het zogenaamde netwerkeffect (Monge & Contractor, 2003).
8. Dat wat je al langer doet op het internet bereid je uit met sociale contacten, sociale expressie en samen dingen doen omdat je daar van leert en wat vervolgens leidt tot een gewoonte (Social Cognitive Theory, oa Bandura, 1986).
Wat zijn de maatschappelijke effecten van sociale media? Jan van Dijk beschrijft er 8 waarbij hij tegelijkertijd aangeeft dat dit wellicht prematuur is omdat social media nog in ontwikkeling zijn. Ik beschrijf 2 effecten:
9.Instituties onder druk. De overheid, bijvoorbeeld, krijgt te maken met een burger die zichzelf gaat informeren. De traditionele top-down constructie valt om, autoriteiten met kennis van zaken worden niet meer automatisch geloofd.
10. Popularisering en ongelijkheid. Het internet is met name populair geworden door de kracht van social media. Zowel de hoger opgeleiden en de lager opgeleiden hebben de weg naar het gebruik van social media gevonden. De ongelijkheid is vast te stellen bij de digitale vaardigheden om social media effectief te gebruiken. Lager opgeleiden zijn minder goed in staat om bijvoorbeeld een effectief profiel te maken dan hoger opgeleiden.

Nieuwsgierig naar de andere 6 effecten, via http://www.scoop.it/t/d-i-p-digital-in-progress/p/3687855050/basisboek-social-media-2011 kun je het eerste hoofdstuk uit het boek lezen.

En wat schetst mijn verbazing, Kennisnet heeft recentelijk een wetenschappelijk tijdschrift uitgegeven. Met de titel 4W; Weten Wat Werkt en Waarom. Hierin allerlei artikelen over opbrengsten en werking van ict in het onderwijs. Een mooi initiatief van Kennisnet, op deze manier dragen zij bij aan het wetenschappelijk onderbouwen van dat wat zo'n belangrijke plaats heeft in het onderwijs en in de maatschappij: ict.

zondag 16 december 2012

Contextmapping in het onderwijs

'Bringing the everydag life of people into design',  is de sprekende titel van het proefschrift van het promotie onderzoek van Froukje Sleeswijk Visser (2009).
De kernvraag in dit proefschrift luidt ‘Hoe kan belevingsinformatie aan ontwerpers worden overgedragen?’, met als doel ontwerpers te informeren en inspireren om producten te ontwerpen die passen in de context waar hun product uiteindelijk gebruikt gaat worden.  
Froukje was afgelopen vrijdag de 14e december een gastspreker op de Master Leren en Innoveren bij het thema; Omgeving, de ecologie van innoveren. Zij hield een informatief betoog over hoe je als onderzoeker-innovator in contact moet treden met de omgeving waar je onderzoek en innovatie plaatsvindt. Froukje hanteert een manier hoe dit plaats kan vinden; contextmapping. Bij contextmapping is aandacht voor de belevingsinformatie als bron voor inspiratie bij het ontwerpen. Je maakt dan letterlijk een map van de context van een bepaald productgebruik. Dit kan zijn voor het ontwerpen van nieuwe keukenapparatuur tot een nieuwe levensverzekering.

This contextmapping study investigated the rituals and motivations of young parents around cooking. The results were used for an activation campaign for Philips Kitchen Appliances.(client Tribal DDB, 2011)
Bron: Contextqueen.nl,16-12-2012 
Een drietal 3-tal zaken zijn belangrijk bij contextmapping en wat mij betreft ook belangrijk bij het doen van onderzoek en het uitvoeren van innovaties in het onderwijs.
1. Mensen zijn experts van hun eigen omgeving:
Verdiep je in de doelgroep waar je onderzoek naar doet. Wat is hun wereld waar hechten ze belang aan. Ga in gesprek.
2. Onderzoek de context in het alledaagse leven:
Verzamel niet alleen informatie via interviews maar ga letterlijk de context waar het 'product' een rol speelt observeren tijdens alledaags gebruik.
3. Vraag naar het verleden voordat je naar de toekomst vraagt:
Vanuit een verleden waar men ervaring heeft met dat wat jij wilt onderzoeken kan men beter naar dat wat jij wilt bereiken kijken dan vanuit het niks. Bijvoorbeeld, je gaat een nieuwe digitale leeromgeving ontwerpen, welke ervaringen hebben studenten dan met digitaal leren, wat ging goed wat ging fout. Vanuit die context kunnen ze beter vertellen wat zij in de toekomst zouden willen dan dat je start zonder dat 'vooronderzoek'.

Tot slot gaf Froukje aan dat het belangrijk is het ontwerpproces te visualiseren voor degene die mee doen aan het onderzoek. Een naam is maar een naam, een foto van degene erbij maakt het menselijker.

De expert-sessie met Froukje Sleeswijk Visser heeft mij aan het denken gezet. Het geeft het belang weer van het in gesprek gaan met de doelgroep waar ik werk: de MBO-student. Een open deur? Ja, maar ik ben de sleutel van die deur heel vaak kwijt en contextmapping geeft mij een tool in handen dit uit te voeren.

zondag 25 november 2012

Workshop: Dat wat je denkt, waarom zeg je dat niet?

Vrijdag 23 november, de laatste themadag Inter-persoonlijk handelen en dat betekent dat wij (studenten) de 'oogst' van dat wat we in dit thema hebben geleerd en ontdekt, delen met anderen. In de COL LaLa (LenAnitaLoesAstrid) hebben we de afgelopen maanden elkaar 'gevonden' in de materie rond mentale modellen (Senge, 1990). In het blog van 19 september schrijf ik over het herontdekken van Senge.
Hoe komt het toch dat we niet altijd zeggen wat we denken, wat is die belemmering? Twee theorieën stonden centraal tijdens de workshop: 1. De theorie rond mentale modellen van Senge (1990) en dan specifiek de inferentieladder, en 2. De theorie rond de 8 belemmerende overtuigingen van Frijters (2011). In het blog van 29 augustus vertel ik kort iets het boek van Frijters: 'De kracht van gedachten.'
De aanwezigen hebben eerst in groepen van 5 aan de hand van een gekozen werksituatie stil gestaan bij welke abstractiesprongen van de ladder van gevolgtrekkingen (inferentieladder) gemaakt zijn. Het was goed te ervaren dat men die werksituatie zo makkelijk inbracht. Een mentaal model is heel persoonlijk, het zegt iets over hoe jij in gesprek bent met de ander of anderen. En dan zit je daar in een workshop met mensen die je niet allemaal kent....goed dat men open staat voor kenniscreatie! Na een rondje waarbij elk groepje kort iets verteld over de situatie en dat wat het bij hem of haar oproept werd de tweede oefening geïntroduceerd. Eerst heb ik verteld over de belemmerende overtuigingen die een rol spelen bij het gegeven dat je niet altijd zegt wat je denkt. Gedachten die voor jou heel normaal zijn worden een overtuiging, echter dat kunnen ook belemmerende overtuigingen worden. Frijters beschrijft er 8.  En daar ging de volgende opdracht over, naar aanleiding van de situatie die is gekozen gingen de groepjes aan de slag met welke belemmerende overtuiging  hier een rol speelt. En omdat het zo geven van de 8 belemmerende overtuigingen niet bijdraagt aan het creëren van kennis in de groepjes hebben we het anders aangepakt. Per belemmerende overtuiging zijn 3 uitspraken genoteerd, 1 per kaartje. De groep ging dus opzoek naar de uitspraak (gedachte) die past bij de situatie die is ingebracht, 8x3= 24 uitspraken dus. Dit betekent dat degene die de situatie heeft ingebracht ondervraagd is door de anderen uit de groep.
Het kunnen meerdere uitspraken zijn geweest die een rol spelen. Nadat de uitspraken verzameld zijn, werden de kaartjes omgedraaid. Op de achterkant staat de belemmerende overtuiging genoteerd die past bij die uitspraak. En daar konden ze in de groep elkaar weer over bevragen: 'Klopt het, heeft degene die de situatie heeft ingebracht last van die belemmerende overtuiging?' Is het inderdaad; 'Liefdesverslaving', wil ik aardig gevonden worden, ga ik daarom een confrontatie uit de weg. Of is het: 'Calimerodenken', ik trek mij alles persoonlijk aan! In de nabespreking van deze opdracht vertelde ik kort hoe je belemmerende overtuigingen kunt aanpakken. Kort want Frijters beschrijft in zijn boek tal van oefeningen die je hierbij kunnen helpen.
Tijdens de evaluatie van de workshop is men enthousiast over de werkvorm waar wij voor gekozen hebben, het zet aan tot reflecteren, tot samen nadenken over wat er nu aan de hand is. Een aantal deelnemers heeft een antwoord gekregen op de vraag; 'Dat wat ik denk, waarom zeg ik dat niet?' En themakerndocent Ard wil misschien het boek van Frijters op de lijst voor volgend jaar te zetten! Een mooie compliment! De COL LaLa sluit vier maanden thema Inter-persoonlijk handelen af met een goed gevoel, we hebben onze papers ingeleverd en hebben met z'n vieren een top-workshop georganiseerd met zelf bedachte oefeningen en homemade kaartjes. Het thema Inter-persoonlijk handelen heeft mij veel gebracht.....daar ben ik van overtuigd!!