Op maandag 12 november is het onderzoek gestart waarbij ik onderzoek of in een traject van peer tutoring Facebook als communicatiemiddel ingezet kan worden. Tot nu toe heb ik daar nog niet over geblogd.........het wordt tijd dit wel te gaan doen.
Wat er aan vooraf ging:
Vanaf het moment dat ik gekozen heb de Master Leren en Innoveren te volgen aan de Vilentum Hogeschool Stoas Wageningen heb ik bedacht dat ik digitaal leren in welke vorm dan ook een plaats wil geven in het onderwijs waar ik verantwoordelijk voor ben: het verpleegkunde en verzorgende onderwijs aan de Utrechtse Zorgacademie van het MBO Utrecht. Waarom dit doel, wat maakt dat ik hier zo graag mee wil gaan 'experimenteren'? ICT en onderwijs zijn wat mij betreft onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Dit is gekomen nadat ik op mijn vorige werkplek (ROCMN) heb geparticipeerd in het project; 'Websquash'. In 2000/2001 draaide dit project samen met twee andere ROC's onder leiding van Mario de Jong. Het doel was om de communicatie tussen leerlingen en docent en tussen leerlingen onderling via internet tot stand te brengen. Hiervoor zijn e-leeractiviteiten ontwikkelt. Onder leiding van het bureau Edu-Assist deed ik ervaring op met het werken met de elo; Top Class.
Vanaf dat moment heb ik geparticipeerd in allerlei trajecten aangaande ict en onderwijs (Sonar, Volg+, LOI) en gaf ik les over ict en zorg. Ik kon en wilde digitaal leren gaan toepassen in het reguliere onderwijs. Met name het laatste traject, een verpleegkunde opleiding ontwikkelen voor de LOI, heeft mij veel opgeleverd. Hoe breng je de theorie en een beetje praktijk in een op-afstand-leren-concept van het LOI? Ik was alleen verantwoordelijk voor het inhoudelijke deel, echter het werken in de digitale omgeving van de LOI heeft mijn horizon wel verbreed. Hoe breng je bijvoorbeeld de boodschap online goed over en houdt de techniek simpel anders wordt dat het doel ipv de inhoud!
In 2009 ben ik overgestapt naar het MBO Utrecht en specifiek; de Utrechtse Zorgacademie, daar heb ik een opdracht uitgevoerd in samenwerking met V&VN en heb ik materiaal geschreven voor een website: www.zorgleefplanwijzer.nl. En ik heb er voor gekozen de Master Leren en Innoveren te gaan volgen met het idee mij te gaan bekwamen in blended learning. Wat kan ict naast het reguliere onderwijs betekenen voor de doelgroep waar ik les aangeef: de MBO-student.
Om mij te bekwamen op dat wat digitaal leren kan inhouden ben ik vanaf het toelatingsgesprek met de coördinator van de master, een blog gaan bij houden. En inmiddels ben ik 1½ jaar later, 79 blog's verder, twitter ik consequent en houd ik via Scoop.it twee digitale webmagazines bij.
Gedurende de wintercourse van de master ben ik geswitcht van het onderwerp blended learning naar social media en onderwijs. Eigenlijk om de eenvoudige reden dat ik zonder 'dure' toepassingen gelijk een onderzoek kan gaan uitvoeren met social media, immers een kosteloze digitale toepassing. En waarom niet gebruik maken van een toepassing die student al eigen is, waar ze de weg goed kunnen vinden.
En zoals het gaat met onderzoek was mijn invalshoek eerst nog heel breed, ik wilde iets met web 2.0 toepassingen en onderwijs en al snel werd die invalshoek steeds kleiner tot uiteindelijk ik de volgende onderzoeksvraag heb beschreven: Is Facebook als communicatiemiddel toepasbaar in een traject van peer tutoring en ontwikkelen de tutors en tutees daarbij vijf competenties.
Inmiddels na een positief GO gesprek met mijn studiecoach en de extern wetenschapper is het onderzoek inmiddels 6 weken aan de gang. In het volgende blog: Onderzoek Facebook en peer tutoring; het proces, zal het onderzoek centraal staan.
Dit blog is gestart op het moment dat ik een Master Leren en Innoveren ben gaan volgen in 2011. Aanvankelijk schreef ik alleen over de master, onderwijs en ICT. Het blog heette: D.I.P. (digital in progress). Nu schrijf ik nog steeds over het onderwijs maar niet alleen in combinatie met ICT en daarom is het tijd voor een nieuwe titel: WoordenSchat. Ik ben werkzaam als onderwijsontwikkelaar en docent bij de Utrechtse Zorgacademie van MBO Utrecht, een opleiding voor verpleging en verzorging.
zaterdag 29 december 2012
dinsdag 25 december 2012
Social media en sociale wetenschap, wat verklaart wat?
Het afgelopen jaar heb ik vele onderzoeken, publicaties van oa Kennisnet en populaire boeken over social media gelezen. Bijna alles heeft een relatie tot onderwijs en met name het inzetten van social media in het onderwijs, daar immers gaat mijn aandacht naar uit. Een mastergenoot wees mij op een andere invalshoek, het fenomeen social media verklaart vanuit de wetenschap. Hij noemde specifiek Jan van Dijk, hoogleraar communicatiewetenschap aan de universiteit van Twente. Deze hoogleraar heeft een aantal artikelen geschreven over social media in relatie tot de sociale wetenschap. Hij is ook auteur van een hoofdstuk uit; Basisboek social media, een boek voor het HBO en het WO (D. van Osch & R. van Zijl, 2011). Dit is voor mij het eerste boek waarbij social media vanuit de wetenschap worden verklaard en ja natuurlijk in al die publicaties van onderzoeken die ik heb gelezen worden social media ook vanuit de wetenschap verklaard echter dat zijn specifieke onderzoeken, die slechts een deel belichten. In het hoofdstuk met als titel: 'Social media in de netwerkmaatschappij', schetst Jan van Dijk een totaal beeld van de plek die social media innemen in de maatschappij.
Een samenvatting in 10 punten:
Waarom passen social media in de huidige netwerkmaatschappij? Jan van Dijk schrijft er het volgende over:
1. Netwerkindividualisering, de mogelijkheid voor het individu om zelf het vertrekpunt te zijn en toch een zeer sociaal leven te leiden. Immers we leven in een netwerkmaatschappij, een maatschappij waarbij individuen communiceren met zelfverkozen andere individuen via sociale en media-netwerken.
Waren voorheen interpersoonlijke communicatie en massacommunicatie strikt gescheiden communicatie- soorten, social media bewegen zich tussen beide omdat:
2. Grensvervaging plaatsvindt tussen wat privaat en publiek is tussen zender en ontvanger.
3. De focus op het individu en/of op de collectiviteit ligt. Het hangt af van het type social media waar die focus ligt.
4. Er een verschil is in het media-aspect. Men spreekt hierbij van mediarijkdom, indien alleen gewerkt wordt met tekst spreekt men van een laag mediarijkdom, wordt er gewerkt met auditieve en visuele media dan spreek men van hoge mediarijkdom.
Welke verklaringen heeft Jan van Dijk voor de snelle verspreiding van social media:
5. Er is al langere tijd een latente sociale behoefte geweest om met behulp van social media te werken aan sociale contacten, ze doen een appel op extrinsieke en intrinsieke motivaties en het bieden concrete beloningen zoals amusement en sociale omgang (Uses and Gratifications Theory, Katz, Blumler & Gurevitch, 1974).
6. Het fenomeen social media is een innovatie die eerst door early adopters is opgepakt en daarna publiekelijk is gemaakt door naar populaire toepassingen te zoeken. Daarnaast is het afhankelijk van gebruiksvoordelen of een nieuw medium wordt geaccepteerd. Zoals de eenvoudigheid en observeerbaarheid (Innovatietheorie, Rogers, 1963).
7. Er bij willen horen. Netwerken hebben een aantrekkingskracht op mensen die er buiten vallen, het zogenaamde netwerkeffect (Monge & Contractor, 2003).
8. Dat wat je al langer doet op het internet bereid je uit met sociale contacten, sociale expressie en samen dingen doen omdat je daar van leert en wat vervolgens leidt tot een gewoonte (Social Cognitive Theory, oa Bandura, 1986).
Wat zijn de maatschappelijke effecten van sociale media? Jan van Dijk beschrijft er 8 waarbij hij tegelijkertijd aangeeft dat dit wellicht prematuur is omdat social media nog in ontwikkeling zijn. Ik beschrijf 2 effecten:
9.Instituties onder druk. De overheid, bijvoorbeeld, krijgt te maken met een burger die zichzelf gaat informeren. De traditionele top-down constructie valt om, autoriteiten met kennis van zaken worden niet meer automatisch geloofd.
10. Popularisering en ongelijkheid. Het internet is met name populair geworden door de kracht van social media. Zowel de hoger opgeleiden en de lager opgeleiden hebben de weg naar het gebruik van social media gevonden. De ongelijkheid is vast te stellen bij de digitale vaardigheden om social media effectief te gebruiken. Lager opgeleiden zijn minder goed in staat om bijvoorbeeld een effectief profiel te maken dan hoger opgeleiden.
Nieuwsgierig naar de andere 6 effecten, via http://www.scoop.it/t/d-i-p-digital-in-progress/p/3687855050/basisboek-social-media-2011 kun je het eerste hoofdstuk uit het boek lezen.
En wat schetst mijn verbazing, Kennisnet heeft recentelijk een wetenschappelijk tijdschrift uitgegeven. Met de titel 4W; Weten Wat Werkt en Waarom. Hierin allerlei artikelen over opbrengsten en werking van ict in het onderwijs. Een mooi initiatief van Kennisnet, op deze manier dragen zij bij aan het wetenschappelijk onderbouwen van dat wat zo'n belangrijke plaats heeft in het onderwijs en in de maatschappij: ict.
Een samenvatting in 10 punten:
Waarom passen social media in de huidige netwerkmaatschappij? Jan van Dijk schrijft er het volgende over:
1. Netwerkindividualisering, de mogelijkheid voor het individu om zelf het vertrekpunt te zijn en toch een zeer sociaal leven te leiden. Immers we leven in een netwerkmaatschappij, een maatschappij waarbij individuen communiceren met zelfverkozen andere individuen via sociale en media-netwerken.
Waren voorheen interpersoonlijke communicatie en massacommunicatie strikt gescheiden communicatie- soorten, social media bewegen zich tussen beide omdat:
2. Grensvervaging plaatsvindt tussen wat privaat en publiek is tussen zender en ontvanger.
3. De focus op het individu en/of op de collectiviteit ligt. Het hangt af van het type social media waar die focus ligt.
4. Er een verschil is in het media-aspect. Men spreekt hierbij van mediarijkdom, indien alleen gewerkt wordt met tekst spreekt men van een laag mediarijkdom, wordt er gewerkt met auditieve en visuele media dan spreek men van hoge mediarijkdom.
Welke verklaringen heeft Jan van Dijk voor de snelle verspreiding van social media:
5. Er is al langere tijd een latente sociale behoefte geweest om met behulp van social media te werken aan sociale contacten, ze doen een appel op extrinsieke en intrinsieke motivaties en het bieden concrete beloningen zoals amusement en sociale omgang (Uses and Gratifications Theory, Katz, Blumler & Gurevitch, 1974).
6. Het fenomeen social media is een innovatie die eerst door early adopters is opgepakt en daarna publiekelijk is gemaakt door naar populaire toepassingen te zoeken. Daarnaast is het afhankelijk van gebruiksvoordelen of een nieuw medium wordt geaccepteerd. Zoals de eenvoudigheid en observeerbaarheid (Innovatietheorie, Rogers, 1963).
7. Er bij willen horen. Netwerken hebben een aantrekkingskracht op mensen die er buiten vallen, het zogenaamde netwerkeffect (Monge & Contractor, 2003).
8. Dat wat je al langer doet op het internet bereid je uit met sociale contacten, sociale expressie en samen dingen doen omdat je daar van leert en wat vervolgens leidt tot een gewoonte (Social Cognitive Theory, oa Bandura, 1986).
Wat zijn de maatschappelijke effecten van sociale media? Jan van Dijk beschrijft er 8 waarbij hij tegelijkertijd aangeeft dat dit wellicht prematuur is omdat social media nog in ontwikkeling zijn. Ik beschrijf 2 effecten:
9.Instituties onder druk. De overheid, bijvoorbeeld, krijgt te maken met een burger die zichzelf gaat informeren. De traditionele top-down constructie valt om, autoriteiten met kennis van zaken worden niet meer automatisch geloofd.
10. Popularisering en ongelijkheid. Het internet is met name populair geworden door de kracht van social media. Zowel de hoger opgeleiden en de lager opgeleiden hebben de weg naar het gebruik van social media gevonden. De ongelijkheid is vast te stellen bij de digitale vaardigheden om social media effectief te gebruiken. Lager opgeleiden zijn minder goed in staat om bijvoorbeeld een effectief profiel te maken dan hoger opgeleiden.
Nieuwsgierig naar de andere 6 effecten, via http://www.scoop.it/t/d-i-p-digital-in-progress/p/3687855050/basisboek-social-media-2011 kun je het eerste hoofdstuk uit het boek lezen.
En wat schetst mijn verbazing, Kennisnet heeft recentelijk een wetenschappelijk tijdschrift uitgegeven. Met de titel 4W; Weten Wat Werkt en Waarom. Hierin allerlei artikelen over opbrengsten en werking van ict in het onderwijs. Een mooi initiatief van Kennisnet, op deze manier dragen zij bij aan het wetenschappelijk onderbouwen van dat wat zo'n belangrijke plaats heeft in het onderwijs en in de maatschappij: ict.
zondag 16 december 2012
Contextmapping in het onderwijs
'Bringing the everydag life of people into design', is de sprekende titel van het proefschrift van het promotie onderzoek van Froukje Sleeswijk Visser (2009).
1. Mensen zijn experts van hun eigen omgeving:
Verdiep je in de doelgroep waar je onderzoek naar doet. Wat is hun wereld waar hechten ze belang aan. Ga in gesprek.
2. Onderzoek de context in het alledaagse leven:
Verzamel niet alleen informatie via interviews maar ga letterlijk de context waar het 'product' een rol speelt observeren tijdens alledaags gebruik.
3. Vraag naar het verleden voordat je naar de toekomst vraagt:
Vanuit een verleden waar men ervaring heeft met dat wat jij wilt onderzoeken kan men beter naar dat wat jij wilt bereiken kijken dan vanuit het niks. Bijvoorbeeld, je gaat een nieuwe digitale leeromgeving ontwerpen, welke ervaringen hebben studenten dan met digitaal leren, wat ging goed wat ging fout. Vanuit die context kunnen ze beter vertellen wat zij in de toekomst zouden willen dan dat je start zonder dat 'vooronderzoek'.
Tot slot gaf Froukje aan dat het belangrijk is het ontwerpproces te visualiseren voor degene die mee doen aan het onderzoek. Een naam is maar een naam, een foto van degene erbij maakt het menselijker.
De expert-sessie met Froukje Sleeswijk Visser heeft mij aan het denken gezet. Het geeft het belang weer van het in gesprek gaan met de doelgroep waar ik werk: de MBO-student. Een open deur? Ja, maar ik ben de sleutel van die deur heel vaak kwijt en contextmapping geeft mij een tool in handen dit uit te voeren.
De kernvraag in dit proefschrift luidt ‘Hoe kan belevingsinformatie aan ontwerpers worden overgedragen?’, met als doel ontwerpers te informeren en inspireren om producten te ontwerpen die passen in de context waar hun product uiteindelijk gebruikt gaat worden.Froukje was afgelopen vrijdag de 14e december een gastspreker op de Master Leren en Innoveren bij het thema; Omgeving, de ecologie van innoveren. Zij hield een informatief betoog over hoe je als onderzoeker-innovator in contact moet treden met de omgeving waar je onderzoek en innovatie plaatsvindt. Froukje hanteert een manier hoe dit plaats kan vinden; contextmapping. Bij contextmapping is aandacht voor de belevingsinformatie als bron voor inspiratie bij het ontwerpen. Je maakt dan letterlijk een map van de context van een bepaald productgebruik. Dit kan zijn voor het ontwerpen van nieuwe keukenapparatuur tot een nieuwe levensverzekering.
1. Mensen zijn experts van hun eigen omgeving:
Verdiep je in de doelgroep waar je onderzoek naar doet. Wat is hun wereld waar hechten ze belang aan. Ga in gesprek.
2. Onderzoek de context in het alledaagse leven:
Verzamel niet alleen informatie via interviews maar ga letterlijk de context waar het 'product' een rol speelt observeren tijdens alledaags gebruik.
3. Vraag naar het verleden voordat je naar de toekomst vraagt:
Vanuit een verleden waar men ervaring heeft met dat wat jij wilt onderzoeken kan men beter naar dat wat jij wilt bereiken kijken dan vanuit het niks. Bijvoorbeeld, je gaat een nieuwe digitale leeromgeving ontwerpen, welke ervaringen hebben studenten dan met digitaal leren, wat ging goed wat ging fout. Vanuit die context kunnen ze beter vertellen wat zij in de toekomst zouden willen dan dat je start zonder dat 'vooronderzoek'.
Tot slot gaf Froukje aan dat het belangrijk is het ontwerpproces te visualiseren voor degene die mee doen aan het onderzoek. Een naam is maar een naam, een foto van degene erbij maakt het menselijker.
De expert-sessie met Froukje Sleeswijk Visser heeft mij aan het denken gezet. Het geeft het belang weer van het in gesprek gaan met de doelgroep waar ik werk: de MBO-student. Een open deur? Ja, maar ik ben de sleutel van die deur heel vaak kwijt en contextmapping geeft mij een tool in handen dit uit te voeren.
zondag 25 november 2012
Workshop: Dat wat je denkt, waarom zeg je dat niet?
Vrijdag 23 november, de laatste themadag Inter-persoonlijk handelen en dat betekent dat wij (studenten) de 'oogst' van dat wat we in dit thema hebben geleerd en ontdekt, delen met anderen. In de COL LaLa (LenAnitaLoesAstrid) hebben we de afgelopen maanden elkaar 'gevonden' in de materie rond mentale modellen (Senge, 1990). In het blog van 19 september schrijf ik over het herontdekken van Senge.
Hoe komt het toch dat we niet altijd zeggen wat we denken, wat is die belemmering? Twee theorieën stonden centraal tijdens de workshop: 1. De theorie rond mentale modellen van Senge (1990) en dan specifiek de inferentieladder, en 2. De theorie rond de 8 belemmerende overtuigingen van Frijters (2011). In het blog van 29 augustus vertel ik kort iets het boek van Frijters: 'De kracht van gedachten.'
De aanwezigen hebben eerst in groepen van 5 aan de hand van een gekozen werksituatie stil gestaan bij welke abstractiesprongen van de ladder van gevolgtrekkingen (inferentieladder) gemaakt zijn. Het was goed te ervaren dat men die werksituatie zo makkelijk inbracht. Een mentaal model is heel persoonlijk, het zegt iets over hoe jij in gesprek bent met de ander of anderen. En dan zit je daar in een workshop met mensen die je niet allemaal kent....goed dat men open staat voor kenniscreatie! Na een rondje waarbij elk groepje kort iets verteld over de situatie en dat wat het bij hem of haar oproept werd de tweede oefening geïntroduceerd. Eerst heb ik verteld over de belemmerende overtuigingen die een rol spelen bij het gegeven dat je niet altijd zegt wat je denkt. Gedachten die voor jou heel normaal zijn worden een overtuiging, echter dat kunnen ook belemmerende overtuigingen worden. Frijters beschrijft er 8. En daar ging de volgende opdracht over, naar aanleiding van de situatie die is gekozen gingen de groepjes aan de slag met welke belemmerende overtuiging hier een rol speelt. En omdat het zo geven van de 8 belemmerende overtuigingen niet bijdraagt aan het creëren van kennis in de groepjes hebben we het anders aangepakt. Per belemmerende overtuiging zijn 3 uitspraken genoteerd, 1 per kaartje. De groep ging dus opzoek naar de uitspraak (gedachte) die past bij de situatie die is ingebracht, 8x3= 24 uitspraken dus. Dit betekent dat degene die de situatie heeft ingebracht ondervraagd is door de anderen uit de groep.
Het kunnen meerdere uitspraken zijn geweest die een rol spelen. Nadat de uitspraken verzameld zijn, werden de kaartjes omgedraaid. Op de achterkant staat de belemmerende overtuiging genoteerd die past bij die uitspraak. En daar konden ze in de groep elkaar weer over bevragen: 'Klopt het, heeft degene die de situatie heeft ingebracht last van die belemmerende overtuiging?' Is het inderdaad; 'Liefdesverslaving', wil ik aardig gevonden worden, ga ik daarom een confrontatie uit de weg. Of is het: 'Calimerodenken', ik trek mij alles persoonlijk aan! In de nabespreking van deze opdracht vertelde ik kort hoe je belemmerende overtuigingen kunt aanpakken. Kort want Frijters beschrijft in zijn boek tal van oefeningen die je hierbij kunnen helpen.
Tijdens de evaluatie van de workshop is men enthousiast over de werkvorm waar wij voor gekozen hebben, het zet aan tot reflecteren, tot samen nadenken over wat er nu aan de hand is. Een aantal deelnemers heeft een antwoord gekregen op de vraag; 'Dat wat ik denk, waarom zeg ik dat niet?' En themakerndocent Ard wil misschien het boek van Frijters op de lijst voor volgend jaar te zetten! Een mooie compliment! De COL LaLa sluit vier maanden thema Inter-persoonlijk handelen af met een goed gevoel, we hebben onze papers ingeleverd en hebben met z'n vieren een top-workshop georganiseerd met zelf bedachte oefeningen en homemade kaartjes. Het thema Inter-persoonlijk handelen heeft mij veel gebracht.....daar ben ik van overtuigd!!
Hoe komt het toch dat we niet altijd zeggen wat we denken, wat is die belemmering? Twee theorieën stonden centraal tijdens de workshop: 1. De theorie rond mentale modellen van Senge (1990) en dan specifiek de inferentieladder, en 2. De theorie rond de 8 belemmerende overtuigingen van Frijters (2011). In het blog van 29 augustus vertel ik kort iets het boek van Frijters: 'De kracht van gedachten.'
De aanwezigen hebben eerst in groepen van 5 aan de hand van een gekozen werksituatie stil gestaan bij welke abstractiesprongen van de ladder van gevolgtrekkingen (inferentieladder) gemaakt zijn. Het was goed te ervaren dat men die werksituatie zo makkelijk inbracht. Een mentaal model is heel persoonlijk, het zegt iets over hoe jij in gesprek bent met de ander of anderen. En dan zit je daar in een workshop met mensen die je niet allemaal kent....goed dat men open staat voor kenniscreatie! Na een rondje waarbij elk groepje kort iets verteld over de situatie en dat wat het bij hem of haar oproept werd de tweede oefening geïntroduceerd. Eerst heb ik verteld over de belemmerende overtuigingen die een rol spelen bij het gegeven dat je niet altijd zegt wat je denkt. Gedachten die voor jou heel normaal zijn worden een overtuiging, echter dat kunnen ook belemmerende overtuigingen worden. Frijters beschrijft er 8. En daar ging de volgende opdracht over, naar aanleiding van de situatie die is gekozen gingen de groepjes aan de slag met welke belemmerende overtuiging hier een rol speelt. En omdat het zo geven van de 8 belemmerende overtuigingen niet bijdraagt aan het creëren van kennis in de groepjes hebben we het anders aangepakt. Per belemmerende overtuiging zijn 3 uitspraken genoteerd, 1 per kaartje. De groep ging dus opzoek naar de uitspraak (gedachte) die past bij de situatie die is ingebracht, 8x3= 24 uitspraken dus. Dit betekent dat degene die de situatie heeft ingebracht ondervraagd is door de anderen uit de groep.Het kunnen meerdere uitspraken zijn geweest die een rol spelen. Nadat de uitspraken verzameld zijn, werden de kaartjes omgedraaid. Op de achterkant staat de belemmerende overtuiging genoteerd die past bij die uitspraak. En daar konden ze in de groep elkaar weer over bevragen: 'Klopt het, heeft degene die de situatie heeft ingebracht last van die belemmerende overtuiging?' Is het inderdaad; 'Liefdesverslaving', wil ik aardig gevonden worden, ga ik daarom een confrontatie uit de weg. Of is het: 'Calimerodenken', ik trek mij alles persoonlijk aan! In de nabespreking van deze opdracht vertelde ik kort hoe je belemmerende overtuigingen kunt aanpakken. Kort want Frijters beschrijft in zijn boek tal van oefeningen die je hierbij kunnen helpen.
Tijdens de evaluatie van de workshop is men enthousiast over de werkvorm waar wij voor gekozen hebben, het zet aan tot reflecteren, tot samen nadenken over wat er nu aan de hand is. Een aantal deelnemers heeft een antwoord gekregen op de vraag; 'Dat wat ik denk, waarom zeg ik dat niet?' En themakerndocent Ard wil misschien het boek van Frijters op de lijst voor volgend jaar te zetten! Een mooie compliment! De COL LaLa sluit vier maanden thema Inter-persoonlijk handelen af met een goed gevoel, we hebben onze papers ingeleverd en hebben met z'n vieren een top-workshop georganiseerd met zelf bedachte oefeningen en homemade kaartjes. Het thema Inter-persoonlijk handelen heeft mij veel gebracht.....daar ben ik van overtuigd!!
zondag 28 oktober 2012
Meer regen betekent niet meer paraplu's
Zaterdagochtend 27 oktober thema onderzoek met Frank.
We zijn concreet aan de slag gegaan met SPSS met input van een mastergenoot. Zij heeft 41 studenten van haar werkplek (VMBO) een vragenlijst in laten vullen met betrekking tot loopbaancompetenties. De verzamelde data heeft zij ingevoerd in SPSS. Goed om op deze manier SPSS in functie te zien, dat verduidelijkt gelijk de taaie materie zoals die in het boek:
staat beschreven.
De 'les' begon echter met een kring gesprek waarbij Frank in gesprek met ons is gegaan over hoe wij met kenniscreatie bezig zijn op KF, in de view onderzoek en feitelijk niet bezig zijn!!
Frank mist de interactie op KF, vindt dat er te weinig op elkaar wordt gereageerd. Daarom nu deze kringopstelling opdat op deze manier kenniscreatie plaats kan vinden. Vanuit de groep hebben een aantal mensen gereageerd op dat wat Frank aangeeft en duidelijk is gesteld dat het niet participeren op KF niet te maken heeft met onwil! De prioriteit ligt (nu) niet bij de view onderzoek op KF en dat zegt niks over hoe een ieder bezig is met het thema onderzoek. Een ieder heeft zijn of haar traject met de studiecoach en een aantal zijn ook al begonnen met het onderzoek en hebben KF, view onderzoek niet nodig om informatie op te halen of te delen. Binnen de view thema inter-persoonlijk vindt op KF wel de nodige kenniscreatie plaats. Het is dus niet zo dat KF niet gebruikt wordt binnen de master. Het was goed op deze wijze met elkaar in gesprek te gaan. En met voor mij als concreet resultaat dat ik een note op KF view onderzoek heb geplaatst met een vraag aan mijn mastergenoten over het inzetten van vragenlijsten in het onderzoek.
De volgende onderwerpen zijn deze ochtend besproken:
Correlatie, samenhang, causaliteit, assumptie, normaalverdeling, meetniveau (nominaal, ordinaal, ratio en interval), parametrische en niet-parametrische statistiek.
Het zijn termen die wat mij betreft goed beklijven als er concreet materiaal bij getoond wordt of verteld anders zijn het maar abstracte begrippen. Zoals dit voorbeeld over correlatie: er is een correlatie tussen regen en paraplu's maar er is geen oorzakelijk verband, want meer regen wil niet zeggen meer paraplu's en tegen de zon worden ook paraplu's gebruikt. Dit is het co-variëren van variabelen met elkaar.
Ik sluit af met daar waar ik deze blog mee begon: het stoeien met data in SPSS, want thuisgekomen heb ik opnieuw de stappen gemaakt die Frank ons liet zien in SPSS met als resultaat deze histogram met een normaal curve:
staat beschreven.
De 'les' begon echter met een kring gesprek waarbij Frank in gesprek met ons is gegaan over hoe wij met kenniscreatie bezig zijn op KF, in de view onderzoek en feitelijk niet bezig zijn!!
Frank mist de interactie op KF, vindt dat er te weinig op elkaar wordt gereageerd. Daarom nu deze kringopstelling opdat op deze manier kenniscreatie plaats kan vinden. Vanuit de groep hebben een aantal mensen gereageerd op dat wat Frank aangeeft en duidelijk is gesteld dat het niet participeren op KF niet te maken heeft met onwil! De prioriteit ligt (nu) niet bij de view onderzoek op KF en dat zegt niks over hoe een ieder bezig is met het thema onderzoek. Een ieder heeft zijn of haar traject met de studiecoach en een aantal zijn ook al begonnen met het onderzoek en hebben KF, view onderzoek niet nodig om informatie op te halen of te delen. Binnen de view thema inter-persoonlijk vindt op KF wel de nodige kenniscreatie plaats. Het is dus niet zo dat KF niet gebruikt wordt binnen de master. Het was goed op deze wijze met elkaar in gesprek te gaan. En met voor mij als concreet resultaat dat ik een note op KF view onderzoek heb geplaatst met een vraag aan mijn mastergenoten over het inzetten van vragenlijsten in het onderzoek.
De volgende onderwerpen zijn deze ochtend besproken:
Correlatie, samenhang, causaliteit, assumptie, normaalverdeling, meetniveau (nominaal, ordinaal, ratio en interval), parametrische en niet-parametrische statistiek.
Het zijn termen die wat mij betreft goed beklijven als er concreet materiaal bij getoond wordt of verteld anders zijn het maar abstracte begrippen. Zoals dit voorbeeld over correlatie: er is een correlatie tussen regen en paraplu's maar er is geen oorzakelijk verband, want meer regen wil niet zeggen meer paraplu's en tegen de zon worden ook paraplu's gebruikt. Dit is het co-variëren van variabelen met elkaar.
Ik sluit af met daar waar ik deze blog mee begon: het stoeien met data in SPSS, want thuisgekomen heb ik opnieuw de stappen gemaakt die Frank ons liet zien in SPSS met als resultaat deze histogram met een normaal curve:
maandag 1 oktober 2012
Social media en mijn onderwijsleven
Dit wordt een positief blog over wat social media in mijn onderwijsleven te weeg brengt. Mijn onderwijsleven bestaat uit twee pijlers: enerzijds volg ik een Master Leren en Innoveren. Anderzijds ben ik werkzaam in het MBO als docent/onderwijsontwikkelaar.
Vanaf het toelatingsgesprek bij de Stoas Hogeschool, houd ik een blog bij (maandag 20 juni 2011).
In het begin was dit blog nog niet openbaar, ik nodigde mensen uit, maar al snel heb ik dit omgezet naar een openbare omgeving, want dat uitnodigen is te omslachtig. Vanaf verschillende kanten zijn de reacties op het blog positief, collega's vinden het leuk mijn bevindingen te lezen, docenten van de Master lezen het omdat het hen een beeld geeft van de wijze waarop zij les geven, vrienden vinden het leuk te lezen waar ik mee bezig ben en dan is er nog een groep die ik niet persoonlijk ken maar die wel blogs lezen. Zo zijn er volgens de statistieken van mijn blog, viewers vanuit de hele wereld tot aan China toe!
Wat brengt het bijhouden van het blog mij nu persoonlijk? Het brengt mijn leerproces in beeld, ik vind het belangrijk inzicht te geven in dit proces. Daarnaast ben ik zeer enthousiast over wat ICT, WEB 2.0, social media en de Master Leren en Innoveren mij brengt en dat wil ik delen. Daarom heb ik mij aangemeld voor de lijst: edubloggers, in te zien via de site: www.edubloggers.nl. Op deze lijst staan inmiddels bijna 140 bloggers die schrijven over onderwijs.
Met bloggen is het begonnen echter de bal is pas echt gaan rollen of moet ik zeggen de muis is pas echt gaan scrollen op het moment dat ik actief ben gaan twitteren. Wat brengt, of heeft Twitter mij gebracht:
-Geattendeerd worden op goede artikelen, publicaties, onderzoeken, boeken, symposia en tv-programma's;
-PR-activiteiten uitvoeren voor de opleiding waar ik werkzaam ben;
-De mogelijkheid om gedachten te ventileren;
-Ontmoetingen (fysiek) met gelijkgestemden om te praten over onderwijsontwikkeling;
-Plaatsing van een tweet over social media en onderwijs in het boek; Smihopedia, aan de slag met social media in het onderwijs van Erno Mijland (2012);
-Het meemaken van een #Kenniscaroussel van @onderwijslente;
-Geïnterviewd worden door een bedrijfsjournalist van MBO Utrecht over mijn twitteractiviteiten;
-etc, etc.
Daarnaast houd ik voor de Master Leren en Innoveren en voor mijn collega's een Scoop.it pagina bij. Op deze pagina's scoop ik allerlei informatie die ik van belang vind voor de Master en voor mijn collega's. Bijna alles is te vinden op het internet. Met name de Scoop.it pagina die ik voor mijn collega's heb ingericht staat vol met informatie die zij kunnen gebruiken voor de lessen die zij geven (http://www.scoop.it/t/team-svg-en-gza-rocasautrecht).
Skype, de vorm van synchroon communiceren, gebruik ik regelmatig om in gesprek te gaan met masterstudiegenoten. In een zogenaamde community of learning (of practice) skypen we over van alles met betrekking tot de Master Leren en Innoveren en komen op die manier ook tot kennisconstructie.
En tot slot Facebook, wat brengt Facebook mij in relatie tot onderwijs?
Dat is het wat ik ga ervaren, want ik doe dit schooljaar een onderzoek naar het toepassen van Facebook in een traject van peer tutoring tijdens de stage. Het onderzoeksplan is goedgekeurd en de eerste stappen om het onderzoek te gaan uitvoeren zijn genomen.
Op Facebook zal ik een besloten groep aanmaken alwaar tutors en tutees met elkaar (in duo) in gesprek gaan over de stage. De tutors zijn 4e jaars studenten en de tutees zijn 1e jaars studenten, allebei volgen zij de opleiding tot verpleegkundige niveau 4 BOL. Tweemaal zal ik aan de hand van een semi-gestructureerd interview in gesprek gaan met de participanten en zal dan met name vaststellen of deze wijze van samenwerkend leren via Facebook bijdraagt aan het werken en behalen van competenties.
Dit is even in het kort wat dit kwalitatieve onderzoek inhoud.
Zo het mag duidelijk zijn, social media is in mijn onderwijsleven niet meer weg te denken. En wat ik nu nog het mooiste vind, het zijn vrij toegankelijke toepassingen. Je kunt er zo mee aan de slag, wat let je?
Vanaf het toelatingsgesprek bij de Stoas Hogeschool, houd ik een blog bij (maandag 20 juni 2011).
In het begin was dit blog nog niet openbaar, ik nodigde mensen uit, maar al snel heb ik dit omgezet naar een openbare omgeving, want dat uitnodigen is te omslachtig. Vanaf verschillende kanten zijn de reacties op het blog positief, collega's vinden het leuk mijn bevindingen te lezen, docenten van de Master lezen het omdat het hen een beeld geeft van de wijze waarop zij les geven, vrienden vinden het leuk te lezen waar ik mee bezig ben en dan is er nog een groep die ik niet persoonlijk ken maar die wel blogs lezen. Zo zijn er volgens de statistieken van mijn blog, viewers vanuit de hele wereld tot aan China toe!
Wat brengt het bijhouden van het blog mij nu persoonlijk? Het brengt mijn leerproces in beeld, ik vind het belangrijk inzicht te geven in dit proces. Daarnaast ben ik zeer enthousiast over wat ICT, WEB 2.0, social media en de Master Leren en Innoveren mij brengt en dat wil ik delen. Daarom heb ik mij aangemeld voor de lijst: edubloggers, in te zien via de site: www.edubloggers.nl. Op deze lijst staan inmiddels bijna 140 bloggers die schrijven over onderwijs.
![]() |
| www.edubloggers.nl |
Met bloggen is het begonnen echter de bal is pas echt gaan rollen of moet ik zeggen de muis is pas echt gaan scrollen op het moment dat ik actief ben gaan twitteren. Wat brengt, of heeft Twitter mij gebracht:
-Geattendeerd worden op goede artikelen, publicaties, onderzoeken, boeken, symposia en tv-programma's;
-PR-activiteiten uitvoeren voor de opleiding waar ik werkzaam ben;
-De mogelijkheid om gedachten te ventileren;
-Ontmoetingen (fysiek) met gelijkgestemden om te praten over onderwijsontwikkeling;
-Plaatsing van een tweet over social media en onderwijs in het boek; Smihopedia, aan de slag met social media in het onderwijs van Erno Mijland (2012);
-Het meemaken van een #Kenniscaroussel van @onderwijslente;
-Geïnterviewd worden door een bedrijfsjournalist van MBO Utrecht over mijn twitteractiviteiten;
-etc, etc.
Daarnaast houd ik voor de Master Leren en Innoveren en voor mijn collega's een Scoop.it pagina bij. Op deze pagina's scoop ik allerlei informatie die ik van belang vind voor de Master en voor mijn collega's. Bijna alles is te vinden op het internet. Met name de Scoop.it pagina die ik voor mijn collega's heb ingericht staat vol met informatie die zij kunnen gebruiken voor de lessen die zij geven (http://www.scoop.it/t/team-svg-en-gza-rocasautrecht).
Skype, de vorm van synchroon communiceren, gebruik ik regelmatig om in gesprek te gaan met masterstudiegenoten. In een zogenaamde community of learning (of practice) skypen we over van alles met betrekking tot de Master Leren en Innoveren en komen op die manier ook tot kennisconstructie.
En tot slot Facebook, wat brengt Facebook mij in relatie tot onderwijs?Dat is het wat ik ga ervaren, want ik doe dit schooljaar een onderzoek naar het toepassen van Facebook in een traject van peer tutoring tijdens de stage. Het onderzoeksplan is goedgekeurd en de eerste stappen om het onderzoek te gaan uitvoeren zijn genomen.
Op Facebook zal ik een besloten groep aanmaken alwaar tutors en tutees met elkaar (in duo) in gesprek gaan over de stage. De tutors zijn 4e jaars studenten en de tutees zijn 1e jaars studenten, allebei volgen zij de opleiding tot verpleegkundige niveau 4 BOL. Tweemaal zal ik aan de hand van een semi-gestructureerd interview in gesprek gaan met de participanten en zal dan met name vaststellen of deze wijze van samenwerkend leren via Facebook bijdraagt aan het werken en behalen van competenties.
Dit is even in het kort wat dit kwalitatieve onderzoek inhoud.
Zo het mag duidelijk zijn, social media is in mijn onderwijsleven niet meer weg te denken. En wat ik nu nog het mooiste vind, het zijn vrij toegankelijke toepassingen. Je kunt er zo mee aan de slag, wat let je?
Is het codewoord: transculturalisme?
Tijdens een wederom intensief lesweekend op de Master Leren en Innoveren zijn een aantal onderwerpen behandeld; het coderen van onderzoeksgegevens, opvattingen over diversiteit, het komen van onderzoeksvraag naar analysevraag en het oefenen van een onderzoekend dialoog.
Centraal stond het coderen en met name het proces van open coderen tot aan het definiëren van die codes om uiteindelijk te komen tot het vaststellen van patronen.
Frank de Jong (lector) trapte de lesdagen af met een college en workshop over open coderen. Hij deed dit op zijn onnavolgbare manier door veel en in rap tempo te vertellen. Daarnaast liet hij coderingschema's van zijn eigen promotie onderzoek zien en audio-opname's van hard op lerende kinderen horen. Voor dit laatste had Frank een oude cassette-afspeel device meegenomen, want dat was in de tijd van cassettes!
Aan de hand van oefen-data op vrijdagochtend (bij Frank) en echte-data op zaterdagochtend (bij Ard, Frank en Lia) kan ik zeggen dat ik beter begrijp wat nu de bedoeling is bij coderen en kan ik verder met het analyseren van die echte-data voor het het thema Inter-Persoonlijk. Deze echte-data bestaat uit een audio-opname van een interview wat ik heb gehouden met mijn toenmalig leidinggevende. Door het analyseren van dit gesprek wil ik opzoek naar wat er gebeurd met mij in dat gesprek met die leidinggevende. Een tegelijkertijd is dit een serieuze vingeroefening voor straks bij het grote onderzoek. De theorie van Boeije (Analyseren in kwalitatief onderzoek, 2005) is door Frank en zeker door Ard goed neergezet, Ard trekt de informatie namelijk continu naar persoonlijke situaties.
Afsluitend een korte samenvatting van het college van lector Rudy Richardson van de vrijdagmiddag, een college over de opvattingen over diversiteit in relatie tot het hebben van een mentaal model. Diversiteit in cases, in opvattingen en in grondvormen.
Met name het vertrekken vanuit een bepaalde grondvorm spreekt mij aan. Zo zijn drie grondvormen te onderscheiden: - monolitisch, - multicultureel en - transcultureel. De grondvorm die jij je eigen maakt bepaalt hoe jij met anderen in een organisatie (en het leven) communiceert (inter-persoonlijk). Stel ik hang de monolitische grondvorm aan dan denk ik in patronen van wij tegen zij. Vertrek ik uit een multiculturele grondvorm dan leef ik prettig naast die ander in mijn eigen cultuur maar ik onderneem geen extra activiteiten. Wanneer ik nu de transculturele grondvorm aanhang dan onderneem ik die activiteiten wel op basis van wederkerigheid. Mijn identiteit wordt dan gevormd door in de interactie met mensen uit andere culturen die ook in hun interacties met andere culturen hun identiteit hebben gevormd. Dit maakt het een dynamisch proces en ik citeer: "Interactieprocessen zijn dus zowel het resultaat als de motor van cultuurverandering en de interpersoonlijke relaties staan centraal als bron voor het accepteren en waarderen van culturele verschillen tussen mensen." (Een kleurrijke wei, R. Richardson 2011 p. 34).
De interessante vraag is nu; Welke grondvorm hang je aan? Ik denk dat ik in het interpersoonlijke contact transcultureel communiceer, ik denk namelijk niet in hokjes. Maar is dat voldoende om te spreken over transculturalisme?
Centraal stond het coderen en met name het proces van open coderen tot aan het definiëren van die codes om uiteindelijk te komen tot het vaststellen van patronen.
Frank de Jong (lector) trapte de lesdagen af met een college en workshop over open coderen. Hij deed dit op zijn onnavolgbare manier door veel en in rap tempo te vertellen. Daarnaast liet hij coderingschema's van zijn eigen promotie onderzoek zien en audio-opname's van hard op lerende kinderen horen. Voor dit laatste had Frank een oude cassette-afspeel device meegenomen, want dat was in de tijd van cassettes!
Aan de hand van oefen-data op vrijdagochtend (bij Frank) en echte-data op zaterdagochtend (bij Ard, Frank en Lia) kan ik zeggen dat ik beter begrijp wat nu de bedoeling is bij coderen en kan ik verder met het analyseren van die echte-data voor het het thema Inter-Persoonlijk. Deze echte-data bestaat uit een audio-opname van een interview wat ik heb gehouden met mijn toenmalig leidinggevende. Door het analyseren van dit gesprek wil ik opzoek naar wat er gebeurd met mij in dat gesprek met die leidinggevende. Een tegelijkertijd is dit een serieuze vingeroefening voor straks bij het grote onderzoek. De theorie van Boeije (Analyseren in kwalitatief onderzoek, 2005) is door Frank en zeker door Ard goed neergezet, Ard trekt de informatie namelijk continu naar persoonlijke situaties.
Afsluitend een korte samenvatting van het college van lector Rudy Richardson van de vrijdagmiddag, een college over de opvattingen over diversiteit in relatie tot het hebben van een mentaal model. Diversiteit in cases, in opvattingen en in grondvormen.
Met name het vertrekken vanuit een bepaalde grondvorm spreekt mij aan. Zo zijn drie grondvormen te onderscheiden: - monolitisch, - multicultureel en - transcultureel. De grondvorm die jij je eigen maakt bepaalt hoe jij met anderen in een organisatie (en het leven) communiceert (inter-persoonlijk). Stel ik hang de monolitische grondvorm aan dan denk ik in patronen van wij tegen zij. Vertrek ik uit een multiculturele grondvorm dan leef ik prettig naast die ander in mijn eigen cultuur maar ik onderneem geen extra activiteiten. Wanneer ik nu de transculturele grondvorm aanhang dan onderneem ik die activiteiten wel op basis van wederkerigheid. Mijn identiteit wordt dan gevormd door in de interactie met mensen uit andere culturen die ook in hun interacties met andere culturen hun identiteit hebben gevormd. Dit maakt het een dynamisch proces en ik citeer: "Interactieprocessen zijn dus zowel het resultaat als de motor van cultuurverandering en de interpersoonlijke relaties staan centraal als bron voor het accepteren en waarderen van culturele verschillen tussen mensen." (Een kleurrijke wei, R. Richardson 2011 p. 34).
De interessante vraag is nu; Welke grondvorm hang je aan? Ik denk dat ik in het interpersoonlijke contact transcultureel communiceer, ik denk namelijk niet in hokjes. Maar is dat voldoende om te spreken over transculturalisme?
Abonneren op:
Posts (Atom)






