vrijdag 2 januari 2015

Zuster!

Mensen die mij via Twitter volgen weten wellicht dat ik een hekel heb aan tweets waarin het woord verpleegster, verpleger, broeder of zuster wordt gebruikt als men het heeft over een verpleegkundige.



Ook bedrijven die afbeeldingen gebruiken waar een verpleegkundige op een traditionele manier wordt afgebeeld (witte jurk en wit kapje) krijgen via Twitter de wind van voren.

Wat is dat toch?
Sinds 1987 mag ik mij verpleegkundige noemen nadat ik het HBO-V diploma heb behaald. En vanaf het begin van de opleiding verbaas ik mij over het gebruik van verpleegster/verpleger/zuster/broeder.
Verpleegkundige is een wettelijk beschermde titel (1993), men mag zich geen verpleegkundige noemen zonder het diploma, behaald op niveau 4 (MBO) of niveau 5 (HBO).
Met het diploma registreert de net-verpleegkundige zich in het BIG-register en kan dan naast strafrechtelijk, arbeidsrechtelijk en burgerrechtelijk ook tuchtrechtelijk vervolgd worden. Dit geldt voor meer beroepen in de zorg, zoals arts, verloskundige en fysiotherapeut. De term verpleegkundige is in 1966 geïntroduceerd en is onzijdig in de zin dat zowel vrouwen als mannen deze titel kunnen dragen.

Waarom men nog steeds de woorden verpleegster/verpleger/zuster/broeder hanteert is een raadsel omdat de term verpleegkundige dus feitelijk bijna 50 jaar bestaat. Is het omdat het woord verpleging ook in omloop is? Zo wordt op 12 mei de dag van de verpleging gevierd en niet de dag van de verpleegkunde. Is het omdat er een romantisch beeld bestaat rond het woord verpleegster en is het woord verpleegkundige te klinisch? Is het omdat men het beroep associeert met een verpleegkundige in het algemeen ziekenhuis waar de patiënt nog regelmatig 'zuster' roept naar die vrouw in het witte uniform?

Ik kan er de vinger niet op leggen. Misschien ben ik er ook allergisch voor omdat ik zelf nooit als verpleegkundige in een wit uniform heb gewerkt. Ik werkte namelijk in de psychiatrie en ik liep daar rond in gewone kleding. In de psychiatrie word je niet aangesproken als zuster of broeder door de patiënten maar gewoon bij je voornaam. Dit verpersoonlijkt het werk dat je doet als verpleegkundige en dat vind ik belangrijk. Dit is een boodschap die ik meegeef aan de studenten verpleegkunde die ik les geef. Hiermee kan de student voorkomen dat zij/hij zuster of broeder wordt genoemd. Ik schrijf kan, want ik weet ook wel dat het voor een patiënt makkelijker is om zuster te zeggen tegen vrouwelijke verpleegkundigen of broeder tegen mannelijke verpleegkundigen dan al die verschillende namen te onthouden. Ai, is dat niet gewoon het probleem bij het vraagstuk zuster en broeder?
Het speelt zeker mee, maar dat geldt niet voor de woorden verpleegster en verpleger. Hoe dat tij gekeerd kan worden, ik weet het niet, er zullen nog wel wat frustratietweets door mij verzonden worden in de toekomst.

Onderwijsmoment 2014

Onderstaand blog heb ik geschreven voor- en is gepubliceerd op onderwijsmoment.nl. Onderwijsmoment.nl is een initiatief van Karin Winters. Karin is benieuwd naar alle mooie onderwijsmomenten die opleiders in de praktijk van onderwijzen in 2014 hebben meegemaakt. Ruim 30 mensen staan met hun onderwijsmoment op de site!!

Pats!
Wat ben ik geraakt door de inaugurele rede van Maarten Wolbers van 12 december 2014. Maarten Wolbers spreekt over de twee gezichten van het onderwijs. Was het onderwijs aanvankelijk verantwoordelijk voor het gelijktrekken van de sociale ongelijkheid tussen de lagere en de hogere milieus, immers kinderen uit lagere milieus kregen de mogelijkheid om te gaan studeren. Nu lijkt er een nieuwe sociale scheidslijn zich te ontwikkelen ten gevolge van de onderwijsexpansie die zich in de afgelopen decennia heeft voltrokken. Er is sprake van een diploma-inflatie waardoor de hoger opgeleiden geen baan vinden op het niveau van hun opleiding en solliciteren op banen onder hun niveau. De lager opgeleiden verliezen daarmee een kans op werk op hun niveau.

Waarom raakt mij dit en is het voor mij het onderwijsmoment van 2014?
Niet omdat ik vind dat hiermee de kansen voor MBO‘ers die door willen stromen naar het HBO verminderen.
Niet omdat ik vind dat de kans op werk voor MBO’ers kleiner wordt door deze onderwijsexpansie. 
Niet omdat ik denk dat HBO en universitair opgeleiden minder uitdaging ervaren in het werk dat zij op een lager niveau uitvoeren en wellicht daardoor minder goed werk leveren.
Maar omdat ik mij overgeleverd voel aan de beleidsmakers die dit jaren geleden hebben bedacht. Ik kan wel naar een stok zoeken maar ik weet niet wie ik ermee kan slaan. Beleid maken is moeilijk en de uitkomst is niet altijd te voorspellen. Ooit diende dit beleid een nobel doel, maar the sky is not the limit voor de MBO student, dat blijkt.
Laten we dan dit ook eens hardop zeggen tegen al die ouders en MBO studenten die denken dat the sky wel de limit is.
We moeten deze verandering anders gaan benaderen. Hoe kan het MBO zich manifesteren als een beroepsopleiding die de strijd aan kan met het HBO?
Dit kan door de positie van de MBO student op de arbeidsmarkt te verbeteren door vanaf lesdag 1 de MBO student midden in de beroepsorganisatie te plaatsen, letterlijk. MBO onderwijs is contextrijk onderwijs, daar ligt de kracht. De ‘school’ is ondersteunend aan die praktijk en niet andersom. Bij BBL studenten is dit normaal, maar voor de BOL studenten nog niet.
Dit kan door met de invoering van de nieuwe kwalificatiedossiers keuzedelen te blijven ontwikkelen die inspringen op veranderende omstandigheden in de gezondheidszorg.
En dit kan door vernieuwend beleid ten aanzien van de zorgstructuur en het toepassen van ict in het onderwijs voor te blijven zetten.

Terug nu naar de inaugurele rede van Maarten Wolbers. Ik doe de professor te kort door alleen dit onderdeel uit zijn rede te benoemen. Lees de gehele rede en ervaar wat Maarten Wolbers vanuit zijn positie als wetenschapper samen met anderen onderzoekt met als doel; goed onderwijs voor iedereen.
De twee gezichten van het onderwijs. Inaugurele rede Prof. Dr. M.H.J. Wolbers

zondag 30 november 2014

Toeval of asynchrone wederkerigheid?

Jaren geleden vlak voor de kerstvakantie werd uit de fietsenkelder bij het werk mijn fiets gestolen. Ik baalde enorm vooral omdat de fiets naar mijn wensen was verfraaid met dure knalgele fietstassen. Enkele dagen later in de kerstvakantie reed ik in de auto naar huis en vlakbij mijn woonplaats zag ik een attaché koffer openliggen, half op de weg half in de berm. Ik stopte en heb de koffer mee naar huis genomen. Het was duidelijk dat de koffer met geweld was geopend en er zat nog van alles in. Aan de hand van aantekeningen vond ik een e-mailadres. Het bleek van een iemand te zijn die bij de gemeente werkt in het dorp verderop. Ik heb de persoon gemaild en het verhaal over de koffer beschreven. De volgende dag werd ik gebeld door een man, de eigenaar van de koffer. Hij vertelde dat de koffer uit zijn auto was gestolen en hij vroeg of hij de koffer gelijk kon ophalen. Dezelfde middag stond er op de stoep de man met een bos bloemen. Hij kon zijn geluk niet op!

Twee dagen later vierden we de verjaardag van mijn oudste zoon met familie en vrienden. Een neef werd bij binnenkomst gebeld op zijn mobiel en ik hoorde hem zeggen; 'Gele fietstassen? Nee die heb ik niet'. Ik vroeg hem mij de telefoon te geven. Aan de andere kant hoorde ik een vrouw vertellen over het vinden van twee gele fietstassen in de bosjes bij haar in de buurt (vlakbij mijn werk). Ik vertelde haar dat mijn fiets met gele fietstassen was gestolen, ik noemde het merk van de fietstassen, welke zij kon bevestigen. In een van die tassen zat een papiertje met het telefoonnummer van die neef en dat heeft zij gebeld. Je begrijpt op welke stoep ik de volgende dag stond, met een bos bloemen. Ik kon mijn geluk niet op!

Tot nu toe heb ik dit verhaal altijd afgedaan als een toevalstreffer en; 'Wie goed doet, goed ontmoet'. Nu ik meer lees over het fenomeen asynchrone wederkerigheid weet ik het zo net nog niet. Wat is asynchrone wederkerigheid precies?
Het gegeven dat wanneer je iets weggeeft je dit altijd ergens weer terugkrijgt. Misschien niet synchroon van de persoon waaraan je iets hebt gegeven, maar in ieder geval van iemand binnen jouw waardenetwerk. (Mindz/Society3.0)
Tja het teruggeven van de attaché koffer en het terugkrijgen van mijn fietstassen is geen vorm van asynchrone wederkerigheid. Ik geef iets terug wat niet van mij is en het één heeft niks met het andere te maken. Het is toeval en een mooi verhaal!

Bij asynchrone wederkerigheid investeer je in een contact of in een dienst zonder de intentie te hebben iets terug te krijgen. Ik denk aan jonge ondernemers die bij elkaar in oude fabriekshallen zitten en die elkaar hun diensten aanbieden. Zo kan de jonge fotograaf aankloppen bij de webdesigner voor hulp bij het maken van een website voor zijn bedrijf en de webdesigner kan opdrachten krijgen doordat die website van de fotograaf zo goed bezocht wordt.
Ik denk aan early adopters, de mensen die in een organisatie (onderwijs) voor de troepen uitlopen, grenzen verleggen door bijvoorbeeld nieuwe onderwijsmethoden uit te voeren. Mensen die ervaringen over het toepassen van nieuwe social media in het onderwijs delen met de collega's. Maar ook de mensen die hun nek uitsteken en bijvoorbeeld de wijze waarop in het Nederland onderwijs getoetst aan de kaak stellen. Wie kent ze niet?
Wat is voor hen de wederkerigheid? Hoe krijgen zij iets terug? Waarschijnlijk is het niet iets fysieks, maar bijvoorbeeld aandacht voor het verhaal, complimenten van collega's en anderen of de uitnodiging ergens te komen spreken of een workshop te geven.
Asynchrone wederkerigheid wat een mooi fenomeen, investeren in de ander zonder dat de ander iets terug hoeft te doen. Wie kan dat nou niet?

zaterdag 27 september 2014



Wat is een Studium Generale? In de brochure van de Universiteit van Utrecht (2014) staat het als volgt omschreven.
"Een Studium Generale is het podium voor lezing en debat, waar studenten, docenten en andere geïnteresseerden kennis kunnen maken met alle mogelijke vakgebieden en de samenhang daartussen."
Oftewel het is een plek waar de laatste inzichten en onderzoeken op allerlei wetenschappelijke gebieden worden gedeeld met anderen. Op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs zijn nu twee reeksen interessant: ‘Let's do lunch’, over technologie en gezondheidszorg en ‘In de schoolbanken’, over vernieuwingen in het onderwijs. Mooi aan deze lezingen en debatten is het gegeven dat ze gratis zijn te bezoeken. En je hoeft geen student te zijn aan de universiteit of daar te werken om een lezing van een wetenschapper mee te kunnen maken.  

Broodjeaapverhalen in het onderwijs
Op woensdag avond 10 september werd een lezing verzorgd door Prof. dr. Paul A. Kirschner in de aula van het Academiegebouw aan de Domplein in Utrecht, met de treffende titel; Wie weet het beter? Prof. dr. Paul A. Kirschner is hoogleraar onderwijspsychologie en verbonden aan de Open Universiteit.
In het kort komt de lezing hierop neer:
In het onderwijs zijn een aantal ideeën gemeengoed geworden en verspreid die door middel van onderzoek niet zijn bevestigd. Prof. dr. Paul A. Kirschner schaart deze 'theorieën' onder de zogenaamde broodjeaapverhalen. Zo worden de volgende onderwerpen onder een vergrootglas gelegd en bekritiseerd: de leerpiramide van Bates, de multitaskende mens, de digital native, zelfgestuurd leren, kennis verouderd snel en kennis hoeft niet meer geleerd te worden omdat je alles kan googlen. Prof. dr. Paul A. Kirschner laat in een wervelend betoog zien dat er nauwelijks bewijslast is voor deze statements. Het doel is niet de toehoorders te overtuigen van zijn gelijk maar om de toehoorders de andere kant van het verhaal te geven.
Eén broodjeaap wordt als volgt ontkracht, een mens kan geen twee dingen tegelijk als informatiestroom tot zich nemen. Men kan niet en een email lezen en naar de voorzitter van een vergadering luisteren (multitasken). De hersenen verwerken slechts 1 informatiestroom en niet 2 of 3 tegelijkertijd. Een student kan ervoor kiezen dit wel te doen maar als hij/zij een stuk tekst goed moet doorgronden en tegelijkertijd Whatsappt met een vriend dan 'kiest' de student ervoor 1,7 keer zoveel langer te doen om de tekst tot zich te nemen dan zonder die afleiding. Dit is uit onderzoek gebleken. Er zijn geautomatiseerde processen waarbij je wel twee acties tegelijkertijd kan doen, zoals wandelen en praten, echter in een nieuwe context wordt dat ook lastiger. Je praat en wandelt makkelijker in Nederland dan in Engeland waar het verkeer van de ander kant komt dan je gewend bent. Met andere woorden, de context is van invloed op de wijze van informatie verwerking.
Anderhalf uur lang vertelt Prof. dr. Paul A. Kirschner op humoristische wijze aan de hand van tal van voorbeelden over deze broodjeaapverhalen en hoe het kan dat deze ontstaan. Dat hij hierbij tegen heilige huisjes aanschopt is vermakelijk en confronterend. Zo geeft hij als antwoord op een vraag over de effectiviteit van de leerstijlen van Kolb dat er 72 leerstijlen zijn en dat er nauwelijks tot niet onderzoek is gedaan of persoon A een andere leerstijl kan hebben dan persoon B.

Op de site van het Studium Generale van de Universiteit van Utrecht (sg.uu.nl) is de agenda inzichtelijk van de lezingen en debatten die plaatsvinden en daar zijn ook de lezingen te bekijken. Dus ben je benieuwd naar de andere broodjeaapverhalen in het onderwijs bekijk de lezing van Prof. dr. Paul A. Kirschner online. Als je een keer een gratis lezing wil meemaken raadpleeg de agenda van de eerder genoemde site. Vanuit ervaring kan ik zeggen dat dit een aanrader is.

zondag 18 mei 2014

Van Flow naar Low en weer terug naar Flow

Drie blogs over het volgen van een Master Leren en Innoveren trokken van de week mijn aandacht. Het begon met het blog van Remko Boers waarin hij beschrijft waarom hij stopt met de Master Leren en Innoveren, (WitBlauw). Daarna reageert Karin Winters op zijn blog door haar pijnpunten in het volgen van de MLI te beschrijven (Karinblogt). Tot slot het blog van Judith van Hooijdonk ook zij beschrijft waarom het volgen van de master leren en innoveren haar energie kost (2 be jammed). De blogs geven een beeld van de impact die het volgen van een MLI mee zich meebrengt.

Na het lezen van de blogs bekruipt mij een dubbel gevoel, aan de ene kant wil ik de bloggers een hart onder de riem steken (al is dat voor Remko te laat) en aan de andere kant wil ik het niet mooier maken dan dat het is. Ik spreek per slot van rekening uit ervaring, het volgen van de MLI is bij mij ook niet zonder slag of stoot verlopen. Ik denk dat het volgende speelt, als professional verbind je je aan een opleiding en direct ook aan de voorwaarden die door die opleiding zijn vastgelegd. En juist die voorwaarden (paper schrijven in APA-stijl, deadlines met inleveren van papers en portfolio's, reflecteren aan de hand van de Dublin-descriptoren, kwantitatieve gegevens in SPSS invoeren etc) staan het leren in de weg. Bij alle drie de bloggers lees ik dat. Nu kan ik schrijven dat dit er gewoon bij hoort, elke opleiding heeft voorwaarden en richtlijnen die jou als student niet aanstaan of niet passen bij hoe je leert. Echter dat is niet interessant, het gaat er om dat jullie in een flow raken van leren. Het gaat om begeistert worden van de literatuur die je leest, van de onderzoeken die zijn uitgevoerd en van inspirerende gastcollege's. Het gaat om kennis delen met collega's het enthousiasmeren van collega's maar ook van je gezin, je familie en vrienden. Als anderen jouw energie ervaren dan sterkt jou dat ook.
In Canon van het Leren van Ruijters & Simons (2012) gaat een hoofdstuk over flow. Het gedachtegoed van Mihaly Csikszentmihalyi heeft voor mij een inspirerend effect gehad. Ik heb er 1 1/2 jaar geleden dan ook een blog aan gewijd (Flow). Dit is wat ik jullie gun, flow!

Ik kan het niet laten jullie ook te vertellen waarom ik denk dat het lastig is een MLI te volgen. De opleidingen waar masters worden aangeboden hebben niet altijd zicht op de beginsituatie van de masterstudenten, ondanks een uitgebreide intake. Zo werd ik al vrij snel geconfronteerd met het op zoek moeten gaan naar een extern wetenschapper die mij in het toewerken naar het onderzoek kon begeleiden. Maar ik had totaal geen zicht op hoe het werkt in het 'land van onderzoek doen'. Ik heb een HAVO en HBO-V diploma en ben niet wetenschappelijk opgeleid. Ik was niet bekend met de wereld van doctorandussen, doctoren, lectoren, promovendi, hoogleraren en professoren. Het kostte mij moeite om vanuit een wetenschappelijke bril naar literatuur te kijken, in papers mijn beweringen te onderbouwen en een onderzoek op te starten. Ik was bang voor statistiek, SPSS en heb enorm geworsteld met de APA-style. Natuurlijk weten de opleiders van een MLI dit echter weten wil nog niet zeggen snappen.
Daarnaast heb ik mijn sociale leven 2 jaar in de kast gezet en zat ik bijna elke avond op de studeerkamer te werken. Mijn jongste zoon heeft de master vervloekt, gelukkig kon ik hem naar zijn vader doorverwijzen! Ik heb enorm gebaald toen het niet lukte om binnen de twee jaar af te studeren en weer een zomervakantie vol aan de bak te moeten. Ik heb het beoordelingssysteem van de MLI uit het raam willen gooien en heb mij overgeleverd gevoeld aan docenten die de Dublin-descriptoren net weer anders interpreteerden.
Maar steeds was daar die weer die flow, die drang om te willen leren om verder te komen, een actie die ik zelf in de hand had.
Vanochtend las ik een blog van Wilfred Rubens over de kracht van verbeelden (te-learning.nl) en ik dacht aan het paper dat ik voor het thema onderwijsleerpsychologie heb geschreven en waar imaginair leren (verbeelden) een belangrijk onderdeel was (studium oogstdag). Een klein voorbeeld van hoe de MLI nog steeds in mijn systeem zit en ik hoop dat de MLI ook in het systeem komt te zitten van Karin Winters en Judith van Hooijdonk.

zondag 30 maart 2014

Elk MBO een lectoraat?

Vorige week las ik een interview in Profiel (vakblad BVE-sector, nr 2 2014) met lector Loek Nieuwenhuis. Loek Nieuwenhuis is Lector Beroepspedagogiek aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen. Hij geeft zijn visie over tal van onderwerpen die het beroepsonderwijs aangaan. Ik waardeer het als mensen hun visie op onderwijs uitdragen. Zo stelt Loek Nieuwenhuis dat te weinig wordt gereflecteerd door de studenten op leerervaringen uit de praktijk. Hij ervaart dat onderwijs wordt vormgegeven aan de hand van dichtgetimmerde kwalificatiedossiers en curricula, wat vernieuwend onderwijs in de weg staat. Ik kan nog wel even doorgaan. Wat mij echter naar aanleiding van het interview nog bezighoudt is het fenomeen; lectoraat, specifiek het lectoraatschap binnen het MBO.

Waarom zijn er weinig lectoraten in het MBO? Misschien zeg ik daar ook wel mee; Waarom zijn er weinig mensen met visie in het MBO? Want is voor mij heel duidelijk, een lectoraat binnen de opleiding zorgt voor reuring, zorgt voor innovatie en onderzoek, voor deskundigheidsbevordering bij docenten en het up to date houden van de kennis van de beroepen waarvoor wordt opgeleid.

Naar aanleiding van dit denkproces heb ik een tweet gestuurd en ben ik in contact gekomen met (oud) lector Niek van den Berg. Zij was de eerste lector die in het MBO is aangesteld in 2006 (ROC Zadkine). Ik ken Niek van den Berg in haar functie als docent bij de MLI van Stoas Vilentum Hogeschool. Zij gaf mij de tip het boekje; Onderzoek in het MBO (2011) te lezen. Hierin wordt zichtbaar waarom ROC Zadkine toen voor een lectoraat koos en worden projecten beschreven die zijn uitgevoerd onder het lectoraatschap. Het lectoraat bij ROC Zadkine is niet meer actief. Zijn er meer lectoraten in het MBO? Ik heb er drie kunnen vinden, het lectoraat 'Keuzeprocessen' bij ROC West-Barbant, het dubbellectoraat, 'Duurzame innovatie in de regionale kenniseconomie' bij ROC Alfa-College en het Stenden Hogeschool (Groningen). De derde is het lectoraat van Hogeschool Saxion dat wordt gedeeld met ROC Twente door lector Henk Ritzen (Onderwijsarrangementen in maatschappelijke context).

Er zijn wel tal van kenniskringen bij lectoraten in het HBO waar ROC's participeren. Zo heeft een collega van mij (Zorgacademie MBO Utrecht) geparticipeerd in de kenniskring van het lectoraat Psychogeriatrie van De Haagse Hogeschool. Dit heeft geresulteerd  in het document; Kennis en vaardigheden in de zorg voor cliënten met dementie: een matrix voor niveau 2, 3 en 4. En in het maken van mooie lesbrieven die gebruikt kunnen worden naast de DVD-box DementieEnDan. Zie voor meer informatie:
http://www.innovatiekringdementie.nl/Artikel/Nieuw-MBO-lesbrieven-dementie-met-film-.aspx

Daar ligt dan de uitdaging voor die ROC's die geen lectoraat hebben. Probeer als ROC te participeren in een kenniskring van een lectoraat bij een HBO of bij één van de ROC's die wel een lectoraat hebben. Zo ontdekte ik dat het ROC waar ik werkzaam ben (MBO Utrecht) wel in het netwerk zit van het lectoraat; Beroepsonderwijs. Dit is een lectoraat van de HU (Hogeschool Utrecht), onder leiding van lector Elly de Bruijn. Kan dit betekenen dat wij als MBO Utrecht in de toekomst gaan participeren in deze kenniskring? Ik ben benieuwd welke stappen MBO Utrecht daarvoor moet ondernemen.






zondag 8 september 2013

Social media in het onderwijs, voor als je nog niet om bent!!

Wat kan het toch goed zijn om af en toe eens een boek te lezen over social media en onderwijs in plaats van allerlei wetenschappelijke artikelen te raadplegen die zich specifiek op 1 onderdeel richten. Zo heeft het boek; Social media in het onderwijs* (Van den Beemt red., 2013) mij in pakweg 70 bladzijden doen realiseren waarom het belangrijk is dat social media wordt toegepast in het onderwijs. Nu was ik al over de streep, bij social media denk ik aan onderwijs en vice versa. Toch staat, in met name hoofdstuk 1 en 2, informatie waarmee ik mijn keuze sterker kan onderbouwen. Bijvoorbeeld door dat wat over de relatie social media en het functioneren in de maatschappij staat beschreven:
De huidige samenleving vraagt in toenemende mate dat mensen samenwerken, informatie delen en feedback geven. Voor deze activiteiten is het van belang een goed sociaal netwerk te hebben. Het gebruik van social media verstrekt de functie van netwerken waarin zowel leerlingen als leraren actief zijn (p.43).
Binnen de opleiding waar ik werkzaam ben doe ik dit te weinig. Ik leer de studenten een vak maar vergeet soms dat er meer is nodig is om hen als goed beroepsbeoefenaar te laten functioneren. Zo moet de student meer competent worden in het up to date houden van zijn kennis, immers op het moment dat hij/zij van school afkomt kan die kennis al achterhaald zijn. Waarom niet starten op de opleiding met een online platform (bv wiggio.com) voor studenten waarin kennis gebracht, gehaald en gedeeld kan worden en inzetten op het continueren van deze community na de opleiding?
Ik realiseer mij nu ook dat ik binnen de discussie van het wel of niet kiezen voor een hybride leeromgeving die ik voer met collega's, de plaatsbepaling van social media daarin kan meenemen. Social media kunnen immers de muren van de school doorbreken, een aspect dat ook bij hybride leeromgevingen een rol speelt! Dit doorbreken van de muren van de school, is 1 van de 6 aspecten die in het boek beschreven worden om de kracht van social media te illustreren. Ik kan zo nog even doorgaan.
Twee dingen wil ik nog aanhalen:
1. Het boek is met name geschreven voor die schoolleiders en -bestuurders die nog niet om zijn, die nog twijfelen of 'blijven' hangen in de negatieve kant van social media. Het boek biedt een strategie om deze mensen over de streep te trekken en dit doen de auteurs door;
...basiskennis over social media aan te reiken, vanuit het ideeën dat je als (eind)verantwoordelijke over een zeker kennisniveau moet beschikken om leiding te kunnen geven aan ontwikkelingen in de school op dit gebied, of nog beter gezegd, aan mensen die in de school invulling geven aan ontwikkeling op dit gebied (p.8).
De schrijvers doen zichzelf te kort door zich alleen op deze groep te focussen. Het boek geeft informatie die ook heel belangrijk is voor alle opleiders. Ik heb gelijk een whatsapp naar een zwager gestuurd die les geeft op een middelbare school met de tip dit boek te lezen. Op zijn school hebben alle docenten een tablet ontvangen opdat zij met social media/ICT aan de slag kunnen in de lessen, echter zonder enig vorm van ondersteuning en onderbouwing. Als hij dit boek leest zal hem die onderbouwing (bijvoorbeeld in het hoofdstuk over didactiek en social media) gelijk duidelijk zijn en door de vele voorbeelden heeft hij ook zicht op de toepasbaarheid van social media. Daarnaast kan hij in gesprek gaan met zijn leidinggevende over het opzetten van een strategie opdat zo'n tablet ook daadwerkelijk gebruikt gaat worden, bottom up ipv bottom down. Of hij kiest om te gaan netwerken:
Wanneer je als leraar vervolgens kiest voor social media, begin dan bij wat je kunt. Creëer vervolgens een netwerk van collega's en geïnteresseerden en ga bouwen, het liefst samen met je leerlingen (p.61).
2. De term die een paar keer in het boek voorkomt en wat ik een lastig begrip vind is, moderatie. Wat wordt bedoeld met moderatie? Ik ken het woord moderator, een gespreksleider. En ik ken het begrip moderatie als het checken van geplaatste berichten op een forum op inhoud. Een scheldkanonnade kan zo geweigerd worden. In het boek wordt het begrip geplaatst in de twee visies op informatiegebruik die gehanteerd worden:
De eerste visie, passend bij de begintijd van het internet, gaat uit van individueel zoeken en vinden van informatie op basis van vrije associatie. De tweede visie waarbij samenwerken en moderatie van associatie centraal staat, sluit het beste aan bij social media als leermiddel. De didactische kracht van social media betreft vooral de mogelijkheden die zij bieden tot samenwerken, bedenken en creëren (p.41).
Moderatie van associatie?! Ik denk dat hiermee bedoeld wordt dat door het delen van informatie via social media ook moderatie (zoals in mijn tweede beschrijving) plaatsvindt. Niet alles doet er toe (vrije associatie) maar samen worden keuzes gemaakt wat dan kan leiden tot nieuwe informatie en kennis. Maar zeker weten doe ik het niet! Misschien moet ik er een tweet aan wagen?

*Boek in de reeks van de Meso focus-serie (nr. 88 uitgever: Kluwer)