zondag 18 mei 2014

Van Flow naar Low en weer terug naar Flow

Drie blogs over het volgen van een Master Leren en Innoveren trokken van de week mijn aandacht. Het begon met het blog van Remko Boers waarin hij beschrijft waarom hij stopt met de Master Leren en Innoveren, (WitBlauw). Daarna reageert Karin Winters op zijn blog door haar pijnpunten in het volgen van de MLI te beschrijven (Karinblogt). Tot slot het blog van Judith van Hooijdonk ook zij beschrijft waarom het volgen van de master leren en innoveren haar energie kost (2 be jammed). De blogs geven een beeld van de impact die het volgen van een MLI mee zich meebrengt.

Na het lezen van de blogs bekruipt mij een dubbel gevoel, aan de ene kant wil ik de bloggers een hart onder de riem steken (al is dat voor Remko te laat) en aan de andere kant wil ik het niet mooier maken dan dat het is. Ik spreek per slot van rekening uit ervaring, het volgen van de MLI is bij mij ook niet zonder slag of stoot verlopen. Ik denk dat het volgende speelt, als professional verbind je je aan een opleiding en direct ook aan de voorwaarden die door die opleiding zijn vastgelegd. En juist die voorwaarden (paper schrijven in APA-stijl, deadlines met inleveren van papers en portfolio's, reflecteren aan de hand van de Dublin-descriptoren, kwantitatieve gegevens in SPSS invoeren etc) staan het leren in de weg. Bij alle drie de bloggers lees ik dat. Nu kan ik schrijven dat dit er gewoon bij hoort, elke opleiding heeft voorwaarden en richtlijnen die jou als student niet aanstaan of niet passen bij hoe je leert. Echter dat is niet interessant, het gaat er om dat jullie in een flow raken van leren. Het gaat om begeistert worden van de literatuur die je leest, van de onderzoeken die zijn uitgevoerd en van inspirerende gastcollege's. Het gaat om kennis delen met collega's het enthousiasmeren van collega's maar ook van je gezin, je familie en vrienden. Als anderen jouw energie ervaren dan sterkt jou dat ook.
In Canon van het Leren van Ruijters & Simons (2012) gaat een hoofdstuk over flow. Het gedachtegoed van Mihaly Csikszentmihalyi heeft voor mij een inspirerend effect gehad. Ik heb er 1 1/2 jaar geleden dan ook een blog aan gewijd (Flow). Dit is wat ik jullie gun, flow!

Ik kan het niet laten jullie ook te vertellen waarom ik denk dat het lastig is een MLI te volgen. De opleidingen waar masters worden aangeboden hebben niet altijd zicht op de beginsituatie van de masterstudenten, ondanks een uitgebreide intake. Zo werd ik al vrij snel geconfronteerd met het op zoek moeten gaan naar een extern wetenschapper die mij in het toewerken naar het onderzoek kon begeleiden. Maar ik had totaal geen zicht op hoe het werkt in het 'land van onderzoek doen'. Ik heb een HAVO en HBO-V diploma en ben niet wetenschappelijk opgeleid. Ik was niet bekend met de wereld van doctorandussen, doctoren, lectoren, promovendi, hoogleraren en professoren. Het kostte mij moeite om vanuit een wetenschappelijke bril naar literatuur te kijken, in papers mijn beweringen te onderbouwen en een onderzoek op te starten. Ik was bang voor statistiek, SPSS en heb enorm geworsteld met de APA-style. Natuurlijk weten de opleiders van een MLI dit echter weten wil nog niet zeggen snappen.
Daarnaast heb ik mijn sociale leven 2 jaar in de kast gezet en zat ik bijna elke avond op de studeerkamer te werken. Mijn jongste zoon heeft de master vervloekt, gelukkig kon ik hem naar zijn vader doorverwijzen! Ik heb enorm gebaald toen het niet lukte om binnen de twee jaar af te studeren en weer een zomervakantie vol aan de bak te moeten. Ik heb het beoordelingssysteem van de MLI uit het raam willen gooien en heb mij overgeleverd gevoeld aan docenten die de Dublin-descriptoren net weer anders interpreteerden.
Maar steeds was daar die weer die flow, die drang om te willen leren om verder te komen, een actie die ik zelf in de hand had.
Vanochtend las ik een blog van Wilfred Rubens over de kracht van verbeelden (te-learning.nl) en ik dacht aan het paper dat ik voor het thema onderwijsleerpsychologie heb geschreven en waar imaginair leren (verbeelden) een belangrijk onderdeel was (studium oogstdag). Een klein voorbeeld van hoe de MLI nog steeds in mijn systeem zit en ik hoop dat de MLI ook in het systeem komt te zitten van Karin Winters en Judith van Hooijdonk.

zondag 30 maart 2014

Elk MBO een lectoraat?

Vorige week las ik een interview in Profiel (vakblad BVE-sector, nr 2 2014) met lector Loek Nieuwenhuis. Loek Nieuwenhuis is Lector Beroepspedagogiek aan de Hogeschool Arnhem Nijmegen. Hij geeft zijn visie over tal van onderwerpen die het beroepsonderwijs aangaan. Ik waardeer het als mensen hun visie op onderwijs uitdragen. Zo stelt Loek Nieuwenhuis dat te weinig wordt gereflecteerd door de studenten op leerervaringen uit de praktijk. Hij ervaart dat onderwijs wordt vormgegeven aan de hand van dichtgetimmerde kwalificatiedossiers en curricula, wat vernieuwend onderwijs in de weg staat. Ik kan nog wel even doorgaan. Wat mij echter naar aanleiding van het interview nog bezighoudt is het fenomeen; lectoraat, specifiek het lectoraatschap binnen het MBO.

Waarom zijn er weinig lectoraten in het MBO? Misschien zeg ik daar ook wel mee; Waarom zijn er weinig mensen met visie in het MBO? Want is voor mij heel duidelijk, een lectoraat binnen de opleiding zorgt voor reuring, zorgt voor innovatie en onderzoek, voor deskundigheidsbevordering bij docenten en het up to date houden van de kennis van de beroepen waarvoor wordt opgeleid.

Naar aanleiding van dit denkproces heb ik een tweet gestuurd en ben ik in contact gekomen met (oud) lector Niek van den Berg. Zij was de eerste lector die in het MBO is aangesteld in 2006 (ROC Zadkine). Ik ken Niek van den Berg in haar functie als docent bij de MLI van Stoas Vilentum Hogeschool. Zij gaf mij de tip het boekje; Onderzoek in het MBO (2011) te lezen. Hierin wordt zichtbaar waarom ROC Zadkine toen voor een lectoraat koos en worden projecten beschreven die zijn uitgevoerd onder het lectoraatschap. Het lectoraat bij ROC Zadkine is niet meer actief. Zijn er meer lectoraten in het MBO? Ik heb er drie kunnen vinden, het lectoraat 'Keuzeprocessen' bij ROC West-Barbant, het dubbellectoraat, 'Duurzame innovatie in de regionale kenniseconomie' bij ROC Alfa-College en het Stenden Hogeschool (Groningen). De derde is het lectoraat van Hogeschool Saxion dat wordt gedeeld met ROC Twente door lector Henk Ritzen (Onderwijsarrangementen in maatschappelijke context).

Er zijn wel tal van kenniskringen bij lectoraten in het HBO waar ROC's participeren. Zo heeft een collega van mij (Zorgacademie MBO Utrecht) geparticipeerd in de kenniskring van het lectoraat Psychogeriatrie van De Haagse Hogeschool. Dit heeft geresulteerd  in het document; Kennis en vaardigheden in de zorg voor cliënten met dementie: een matrix voor niveau 2, 3 en 4. En in het maken van mooie lesbrieven die gebruikt kunnen worden naast de DVD-box DementieEnDan. Zie voor meer informatie:
http://www.innovatiekringdementie.nl/Artikel/Nieuw-MBO-lesbrieven-dementie-met-film-.aspx

Daar ligt dan de uitdaging voor die ROC's die geen lectoraat hebben. Probeer als ROC te participeren in een kenniskring van een lectoraat bij een HBO of bij één van de ROC's die wel een lectoraat hebben. Zo ontdekte ik dat het ROC waar ik werkzaam ben (MBO Utrecht) wel in het netwerk zit van het lectoraat; Beroepsonderwijs. Dit is een lectoraat van de HU (Hogeschool Utrecht), onder leiding van lector Elly de Bruijn. Kan dit betekenen dat wij als MBO Utrecht in de toekomst gaan participeren in deze kenniskring? Ik ben benieuwd welke stappen MBO Utrecht daarvoor moet ondernemen.






zondag 8 september 2013

Social media in het onderwijs, voor als je nog niet om bent!!

Wat kan het toch goed zijn om af en toe eens een boek te lezen over social media en onderwijs in plaats van allerlei wetenschappelijke artikelen te raadplegen die zich specifiek op 1 onderdeel richten. Zo heeft het boek; Social media in het onderwijs* (Van den Beemt red., 2013) mij in pakweg 70 bladzijden doen realiseren waarom het belangrijk is dat social media wordt toegepast in het onderwijs. Nu was ik al over de streep, bij social media denk ik aan onderwijs en vice versa. Toch staat, in met name hoofdstuk 1 en 2, informatie waarmee ik mijn keuze sterker kan onderbouwen. Bijvoorbeeld door dat wat over de relatie social media en het functioneren in de maatschappij staat beschreven:
De huidige samenleving vraagt in toenemende mate dat mensen samenwerken, informatie delen en feedback geven. Voor deze activiteiten is het van belang een goed sociaal netwerk te hebben. Het gebruik van social media verstrekt de functie van netwerken waarin zowel leerlingen als leraren actief zijn (p.43).
Binnen de opleiding waar ik werkzaam ben doe ik dit te weinig. Ik leer de studenten een vak maar vergeet soms dat er meer is nodig is om hen als goed beroepsbeoefenaar te laten functioneren. Zo moet de student meer competent worden in het up to date houden van zijn kennis, immers op het moment dat hij/zij van school afkomt kan die kennis al achterhaald zijn. Waarom niet starten op de opleiding met een online platform (bv wiggio.com) voor studenten waarin kennis gebracht, gehaald en gedeeld kan worden en inzetten op het continueren van deze community na de opleiding?
Ik realiseer mij nu ook dat ik binnen de discussie van het wel of niet kiezen voor een hybride leeromgeving die ik voer met collega's, de plaatsbepaling van social media daarin kan meenemen. Social media kunnen immers de muren van de school doorbreken, een aspect dat ook bij hybride leeromgevingen een rol speelt! Dit doorbreken van de muren van de school, is 1 van de 6 aspecten die in het boek beschreven worden om de kracht van social media te illustreren. Ik kan zo nog even doorgaan.
Twee dingen wil ik nog aanhalen:
1. Het boek is met name geschreven voor die schoolleiders en -bestuurders die nog niet om zijn, die nog twijfelen of 'blijven' hangen in de negatieve kant van social media. Het boek biedt een strategie om deze mensen over de streep te trekken en dit doen de auteurs door;
...basiskennis over social media aan te reiken, vanuit het ideeën dat je als (eind)verantwoordelijke over een zeker kennisniveau moet beschikken om leiding te kunnen geven aan ontwikkelingen in de school op dit gebied, of nog beter gezegd, aan mensen die in de school invulling geven aan ontwikkeling op dit gebied (p.8).
De schrijvers doen zichzelf te kort door zich alleen op deze groep te focussen. Het boek geeft informatie die ook heel belangrijk is voor alle opleiders. Ik heb gelijk een whatsapp naar een zwager gestuurd die les geeft op een middelbare school met de tip dit boek te lezen. Op zijn school hebben alle docenten een tablet ontvangen opdat zij met social media/ICT aan de slag kunnen in de lessen, echter zonder enig vorm van ondersteuning en onderbouwing. Als hij dit boek leest zal hem die onderbouwing (bijvoorbeeld in het hoofdstuk over didactiek en social media) gelijk duidelijk zijn en door de vele voorbeelden heeft hij ook zicht op de toepasbaarheid van social media. Daarnaast kan hij in gesprek gaan met zijn leidinggevende over het opzetten van een strategie opdat zo'n tablet ook daadwerkelijk gebruikt gaat worden, bottom up ipv bottom down. Of hij kiest om te gaan netwerken:
Wanneer je als leraar vervolgens kiest voor social media, begin dan bij wat je kunt. Creëer vervolgens een netwerk van collega's en geïnteresseerden en ga bouwen, het liefst samen met je leerlingen (p.61).
2. De term die een paar keer in het boek voorkomt en wat ik een lastig begrip vind is, moderatie. Wat wordt bedoeld met moderatie? Ik ken het woord moderator, een gespreksleider. En ik ken het begrip moderatie als het checken van geplaatste berichten op een forum op inhoud. Een scheldkanonnade kan zo geweigerd worden. In het boek wordt het begrip geplaatst in de twee visies op informatiegebruik die gehanteerd worden:
De eerste visie, passend bij de begintijd van het internet, gaat uit van individueel zoeken en vinden van informatie op basis van vrije associatie. De tweede visie waarbij samenwerken en moderatie van associatie centraal staat, sluit het beste aan bij social media als leermiddel. De didactische kracht van social media betreft vooral de mogelijkheden die zij bieden tot samenwerken, bedenken en creëren (p.41).
Moderatie van associatie?! Ik denk dat hiermee bedoeld wordt dat door het delen van informatie via social media ook moderatie (zoals in mijn tweede beschrijving) plaatsvindt. Niet alles doet er toe (vrije associatie) maar samen worden keuzes gemaakt wat dan kan leiden tot nieuwe informatie en kennis. Maar zeker weten doe ik het niet! Misschien moet ik er een tweet aan wagen?

*Boek in de reeks van de Meso focus-serie (nr. 88 uitgever: Kluwer)

dinsdag 20 augustus 2013

E-learning is veel meer dan leren met ICT.

Het wordt de hoogste tijd om weer eens te bloggen, half maart was de laatste keer. Ik heb ook een goede aanleiding om een blogpost te schrijven want ik heb het boek van Wilfred Rubens; 'E-learning Trends en ontwikkelingen', gelezen en dat vraagt om een blog! Op 4 juni lag het boek op de deurmat en driftig ging ik opzoek in de index naar onderwerpen die mijn aandacht hebben zoals peer tutoring en e-learning. Helaas het boek heeft geen index, echter de hoofdstukindeling verraadt wel wat aan de orde komt en die indeling nodigde uit tot lezen.
Toch is het mij pas nu in de vakantie gelukt het boek te lezen. Of het aan mij ligt, ik weet het niet maar ik kon door de vele gebruikte opsommingen de rode draad in het boek niet vinden. Daarom poging twee in de vakantie en vanaf het hoofdstuk 'Omgevingsfactoren', heb ik het boek niet meer weggelegd en in 1 ruk uitgelezen. Waarschijnlijk lukte het nu beter omdat Rubens vanaf dat hoofdstuk meer gaat schrijven met voorbeelden of het kwam door de daadwerkelijke omgeving waarin ik mij toen bevond!
In de inleiding schrijft Rubens dat hij de lezer een algemeen overzicht wil geven van trends en ontwikkelingen op het gebied van e-learning. Niets is minder waar, ik vind dat het boek geen algemeen overzicht is, ik ervaar dat Rubens juist de diepte ingaat door stil te staan bij onderwerpen die mijns inziens er toe doen als je een boek schrijft over leren. Zo schuwt hij niet om te schijven over visies op leren, over waarom mensen leren (drijfveren), hij geeft de verschillen tussen formeel, informeel, gestuurd en zelfgestuurd leren en geeft zijn mening over assessen. En dit niet alleen in het licht van onderwijs voor jongeren maar ook met betrekking tot werkplekleren. E-learning is veel meer dan leren met ICT en dat wordt vanuit een didactische en pedagogische hoek onderbouwd. Daarnaast wordt duidelijk wat dan die trends zijn en wat als een mythe kan worden weggeschreven. Een aantal begrippen zijn voor mij meer gaan leven, zoals serendipitous learning, MOOC's en digital storytelling. De beschrijving en voorbeelden over digital storytelling die Rubens noteert, motiveren mij om hier mee aan de slag te gaan binnen de werkomgeving. Ik denk dat de student die in de zorg werkt met het beschrijven van een verhaal over dat wat hij/zij meemaakt op een dag, meer inzicht geeft van hoe en wat wordt geleerd dan een reflectieverslag over iets wat niet goed is gegaan!
Digitale verhalen verbinden informatie, kennis, context en emoties, (p. 130).
Het wordt tijd dat ik de applicatie Storify ga uitproberen!
Ook was ik aangenaam verrast te lezen over het Progressive Inquiry Model (Muukkonen, Hakkarainen & Lakkala, 1999) in relatie tot CSCL (computerd supported collaborative learning). Zelf heb ik in het paper voor het thema onderwijsleerpsychologie (MLI) dit model toegepast bij het komen tot een gap-analyse met betrekking tot hoe leren vorm wordt gegeven op de opleiding waar ik werkzaam ben. En om nu de toepasbaarheid van dit model te zien in een andere context maakt de reikwijdte van dit model duidelijk.
Misschien was het beter achterin het boek te beginnen. Rubens heeft daar voor de lezer drie samenvattingen geschreven, 1 te gebruiken voor als je een tweet wil sturen over het boek, 1 voor een praatje bij de koffieautomaat en 1 te gebruiken voor een blogpost. Aanvankelijk moest ik lachen om deze 'actie', want wie bepaalt wat ik tweet of blog? Echter in deze samenvattingen staan geen opsommingen, zijn prettig te lezen en geven goed weer waar het boek overgaat. Ik kan nog meer schrijven over het boek maar het is beter het zelf ter hand te nemen en je te laten verrassen door de kennis die Rubens heeft over e-learning. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat e-learning constant 'on the move' is en dat Rubens sinds het uitkomen van het boek in begin juni al weer zo'n 90 blogspots heeft geschreven over ICT en leren! Wilfred wordt het geen tijd voor een update?

zaterdag 9 maart 2013

Studium Boundary Crossing

Vrijdag 8 maart 2013 heeft het laatste studium plaatsgevonden van de Master-cohort 1112 thema; Omgeving, ecologie van innoveren. Deze studium dagen zijn slechts een korte weergave van al die thema's die centraal staan in de MLI, niet elk theorie of model belandt uiteindelijk op deze oogstdag. Een studium is wel de kers op de taart. Zo ook bij dit studium: Boundary Crossing. Mastergenoten presenteerden zelf ontwikkelde modellen over leernetwerken en coachingsgesprekken met studenten, gaven hun visie op zelfsturing in relatie tot resultaten en vertelden over hoe de inspectie op onderwijs te werk gaat. Er was ook een fysieke bijdrage in de vorm van video-reflectie, zo kon je in de hal van de school een bal schieten op een korf en deze actie werd op beeld vastgelegd. Dat beeldmateriaal werd besproken. Deze mastergenoten hebben in hun guerilla case study bekeken in hoeverre video-reflectie bij sport ook in het onderwijs toegepast kan worden.

Samen met mastergenoot Edwin Hutting heb ik gepitcht over de opbrengst van onze guerrilla case study, illustratief samengebracht in deze poster:
De januskop is beeldspraak voor iets dat tegengestelde karakteristieken kan hebben. Edwin en ik doen beide onderzoek naar het gebruik van social media in het onderwijs. Hij doet dit vanuit de context van het Albeda College, opleiding marketing en communicatie en ik vanuit de context van het MBO Utrecht, opleiding verpleegkunde en verzorging. Hij richt zich op Whatsapp en ik op Facebook. Samen hebben wij ons gericht op de situatie bij de minor High Care van de HAN in Nijmegen, daar heeft het veldonderzoek plaatsgevonden. Binnen de minor High Care wordt Skype en bloggen binnen de elo Scholar, ingezet ter ondersteuning van het begeleiden op afstand. De studenten lopen namelijk stage door het gehele land en op deze manier wordt tijd- en plaatsonafhankelijk met de studenten het contact onderhouden.
Beide docenten zijn boundary crossers, zij gaan de grens over door te 'experimenteren' met social media in het onderwijs en fungeren als bruggenbouwers naar andere collega's toe. Zij worden door het lectoraat leren en innoveren binnen de HAN gestimuleerd om ambassadeurs te zijn voor deze innovatie. Dit laatste staat centraal in het themaproduct wat ik heb geschreven. Ik leg in het themaproduct: 'Wie bouwt de brug?', de relatie tussen de rol van early adopters (Rogers, 2003), het fenomeen boundary crossing en co-creatie. 
Tijdens het onderdeel markplaats, ben ik in gesprek gegaan met mensen die belangstelling hebben in het toepassen van social media in het onderwijs. Netwerken gaat altijd door. Op het laatst kwam ik in gesprek met een oud Stoas student. Hij gaf mij iets mee wat mij aan het denken zet. Hij vertelde dat hij altijd online is voor zijn werk en privé. Dus op een werkdag (9-5) is hij ook bezig met het posten van berichten op zijn Facebook-pagina. Hij (h)erkent hier geen grenzen. Ik wel, ik ben indien nodig op de dag en in de avond met mijn werk bezig en bereikbaar, maar tijdens mijn werk ben ik niet bezig met iets wat in de persoonlijke sfeer ligt. Ik stuur geen tweets of privé mails en bezoek geen sites om een vakantie te boeken. Waarom wel (bijna) 24-7 bereikbaar zijn voor het werk maar niet privé? Over boundary crossing gesproken!

zondag 10 februari 2013

CAUTION: CONTENT'S HOT

Caution: content's hot, is de titel van de presentatie die ik en drie mastergenoten afgelopen vrijdag de 8e februari op de MLI hebben gegeven.
De opdracht was twee leidinggevende van de Belastingdienst te adviseren over hoe zij het leren van professionals in hun organisatie vorm en inhoud kunnen geven. Reneé van Tulder en Bauke Zeilstra zijn werkzaam bij het CKC (centrum voor kennis en communicatie) daar waar oa alles rond opleiden georganiseerd wordt. En sinds enige tijd is daar ook de belastingdienst-academie. Het onderwerp past in het thema; omgeving, de ecologie van innoveren. En deze laatste themadag heeft de docent Ilya Zitter weer een interessant programma opgesteld.
In de betreffende presentatie hebben wij de focus gelegd op informeel leren binnen de Belastingdienst. Het letterlijk achter de pc vandaan komen en dan bij de koffieautomaat tot kenniscreatie of kennis delen te komen, met een bekertje koffie in de hand (en pas op, de inhoud is heet!).
Wat schetst onze verbazing het CKC heeft alle vormen van leren eigenlijk al omarmd. De Belastingdienst is een organisatie waarbinnen loopbaan- en werkplek leren al een historie heeft, het is feitelijk een leerbedrijf in een bedrijf met bijna 30.000 werknemers. Traditioneel leren en e-learning vinden plaats en dan niet alleen bij de Belastingdienst zelf maar ook bij de andere faculteiten zoals de FIOD en de Douane. Reneé van Tulder en Bauke Zeilstra hebben ons een blik in de keuken van de Belastingdienst gegeven waar ik geen weet van had. Ze hebben ons meegenomen in het proces van het aansturen van leidinggevenden die medewerkers begeleiden bij het leren binnen de Belastingdienst. De belangrijkste taak is het organiseren van leren.
Een aantal uitgangspunten in het organiseren van leren benoem ik hier:
1. Performance. Hoe draagt een opleidingstraject bij aan de performance van de medewerker en daar uit voortvloeiend; de performance van die afdeling en uiteindelijk de performance van de gehele organisatie?
2. Het hanteren van het 70-20-10 guideline principe van Jennings. 70% van het leren vindt plaats op de werkvloer, 20% door mee te kijken en te overleggen met een collega en 10% formeel via klassikale kennisoverdracht en e-learning.
3. Kennisnetwerken organiseren, online en offline. Online via een intern platform zoals, ConnectPeople en offline via het organiseren van netwerkdagen.
4. Laat moderatoren nieuwe ontwikkelingen de organisatie in brengen, uitvoeren en bewaken. Het proces van narrowcasting naar broadcasting.
5. Het erkennen van de kennis-deler, creëer een format waar bij de medewerker die kennis deelt daarvoor erkent en beloont wordt. Zo wordt kennis delen aantrekkelijk.

Op welke manier kunnen deze uitgangspunten een functie krijgen binnen het onderwijs dat ik uitvoer, immers een hele andere omgeving dan de Belastingdienst.
Ik ben een wars van statements als, performance of zoals bij het MBO Utrecht; ambitie in leren. Ik denk dat een docent die gelooft in de organisatie waar hij/zij werkt die gelooft in goed en innovatief onderwijs en die gaat voor zijn studenten, geen fancy woorden nodig heeft.
En jawel leren door te doen staat hoog in mijn vaandel, zie bijvoorbeeld mijn blog van zondag 8 juli 2012 en zaterdag 12 mei 2012. Daarom spreekt mij het 70-20-10 model van Jennings aan. Echter in hoeverre dit wetenschappelijk is bewezen, ik vind geen bewijs. Reneé van Tulder gaf ook de naam Lombardo in dit verband. En ja, Lombardo en Eichinger geven wel een aantal hits op Google.Scholar, maar dat zegt nog niks over het wetenschappelijk verhaal achter hun denkwijze. Mijn collega Paul zegt dan terecht: 'Pas op voor Bellmans' Fallacy; What i tell you three times is true!' Hij vond bewijs dat er gesproken wordt over een vuistregel ipv een aantoonbaar bewezen model.
Neemt niet weg het volgende informatieve filmpje over het 70-20-10 model in dit blog te plaatsen:

Ik vind het delen van kennis onder medewerkers heel belangrijk. Mijn activiteiten op Blogger, Scoop.it en Twitter zijn daar voorbeelden van, maar ook het f2f kennis overdragen neem ik serieus. Blended learning dus tussen mij en mijn collega's en ook tussen mij en mijn studenten. Ik erken de belangrijkheid van de drie laatste uitgangspunten. Het wordt tijd dat ik eens een kopje koffie ga drinken met mijn directeur!

zondag 20 januari 2013

De Groene Grens

Het is een grappig fenomeen, wanneer je met iets intensief bezig bent dan vallen zaken op waar je voorheen geen aandacht aan zou besteden. Zo zag ik allemaal kinderwagens toen ik voor het eerst zwanger werd, zag ik over al dezelfde auto's rijden als waar ik zelf net in reed en viel mij dit bord op in een weiland langs de A12 op weg naar de MLI in Wageningen op vrijdag 11 januari jl.:

Immers het thema: Omgeving, de ecologie van innoveren, staat nu centraal op de MLI bij Stoas Wageningen Vitentum Hogeschool. Dit thema gaat over grenzen. De Groene Grens genoemd op het bord gaat over het ontwikkelen van een natuurgebied op de grens tussen Veenendaal en Ede.
De grenzen die vrijdag 11 januari, tijdens de masterdag centraal stonden zijn geen letterlijke grenzen maar abstract. Zo hield Arthur Bakker (Freudenthal Instituut) een expertsessie over boundary crossing en welk leerpotentieel dit kan opleveren in een organisatie, vertelde Iris Bogers van Menzis over het co-creatie platform; Team Topzorg (grensverlegging in klantencontact) en de expertsessie van Hester Smulders en Aimée Hoeve van het ECBO ging over het rapport; 'Co-makership tussen onderwijs en bedrijfsleven: Modaliteiten van samenwerking in projecten onder het Innovatiearrangement'. Een onderzoek over het loslaten en vasthouden van grenzen in samenwerkingsverbanden tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven.
In dit blog geef ik een impressie van wat deze expertsessies mij hebben opgeleverd:
Arthur Bakker geeft aan dat grenzen in een organisatie en nodig zijn en hinderlijk zijn en een leerpotentieel op kunnen leveren. Om niet letterlijk tegen grenzen aan te lopen (discontinuïteit) moet je over grenzen heen gaan. Dan doe je aan boundary crossing. Masterstudenten kunnen last hebben van discontinuïteit omdat zij nieuwe kennis opdoen (vaak in een nieuwe context) maar in de oude context verblijven en bijvoorbeeld met collega's te maken krijgen die niet vooruit willen. Echter een masterstudent kan die grens verleggen door als bruggenbouwer te gaan functioneren door de oude context met de nieuwe te verbinden. Zo informeer ik het team waar ik werkzaam ben over verschillende instructional designs met betrekking tot leerplan ontwikkeling en ga ik letterlijk op bezoek bij andere onderwijsinstellingen (de HAN en het Willem 1 College), en breng ik dat wat ik daar zie, terug in het team. Arthur Bakker spreekt over relational agency, relaties leggen met een buitenste schil, de eigen identiteit behouden en jezelf een nieuwe 'competentie' aanmeten opdat je verder komt.
En niet te vergeten ik ben een bruggenbouwer in het eigen leerproces van de MLI, immers ik sla bruggen tussen oude praktijken en nieuwe praktijken door nieuwe kennis op te doen en door concreet onderzoek te doen naar een grenzen verleggend traject in onderwijs (het gebruik van Facebook in combinatie met peer tutoring). Nu is het leerpotentieel op het moment dat ik een master ben gaan volgen vanaf dag één al aanwezig, bij dit thema gaat het erom dat ik dit in een breder context kan plaatsen zoals hierboven geschetst.
Arthur Bakker legde de nadruk in zijn betoog op het leerpotentieel binnen organisaties. Vier vormen van leermechanismen doen zich voor wanneer verbindingen tussen praktijken worden gelegd:
1. Identificatie, nieuwe inzichten in eigen praktijk (bijvoorbeeld praktijknabij onderzoek). 2. Coördinatie, het ontwikkelen van een nieuwe manier van uitwisseling en afstemming. 3. Reflectie, leren door naar elkaars perspectieven te kijken. 4. Transformatie, beide praktijken veranderen of er ontstaat een nieuwe tussen-praktijk.
Hier kan ik de relatie leggen met de expertsessie die plaats heeft gevonden met Hester Smulders en Aimée Hoeve van het ECBO, zij hebben een onderzoek verricht naar initiatieven die plaats vinden om de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven te verbeteren. Zij komen tot vijf vormen waarbij mijns inziens het leermechanisme; transformatie plaatsvindt. Want vanuit verschillende praktijken, zoals bij de 3e vorm ontstaat een nieuwe praktijk, een bedrijfsmatige leeromgeving die zij; 'Het bedrijf in de school', noemen. Tussen de onderwijsinstelling en het bedrijf ontstaat een nieuwe leeromgeving. De Waterfabriek is hier een voorbeeld van, Heineken heeft bijgedragen aan de realisatie van een bedrijfsmatige leeromgeving voor het Koning Willem I College (MBO), het Van Maerlant (VMBO) en Avans Hogeschool (HBO).
http://waterfabriek.tumblr.com
De Waterfabriek is gesitueerd binnen het Koning Willem I College maar staat 'los' van het school-gebouw. Een productielijn waar waterflesjes gevuld worden met water. Een zogenaamde omgekeerde leerweg. Deze vorm van opleiden is gerust innovatief te noemen, zo ervaar ik de werk- en leervorm peer tutoring die hier plaatsvindt vernieuwend voor het onderwijs. Een HBO'er begeleidt en instrueert een MBO'er en de oudere jaars MBO begeleidt en instrueert de jongere jaars student. To teach is to learn twice! En het is ook een concrete manier om doorlopende leerlijnen te realiseren.
En wat heeft de expertsessie van Iris Borgert van Menzis mij opgeleverd? Menzis, de zorgverzekeraar geeft haar klanten een stem. Door te participeren als klant op het co-creatie platform; Team TopZorg kan die stem geplaatst en gehoord worden en handen en voeten krijgen. Dit kan op 2 manieren, door zelf als klant iets op het digitale platform te plaatsen bijvoorbeeld een klacht of door te reageren op een vraag van Menzis zelf of van andere klanten. Beide vormen kunnen leiden tot een rode draad, een onderwerp wat verder in de organisatie wordt opgepakt en waar de participanten middels nieuwsbrieven op de hoogte worden gehouden van de vorderingen. Iris Bogers geeft aan dat deze co-creatie er voor zorgt dat iets wat groot is (Menzis, groot bedrijf met veel belangen, omvangrijk zorgstelsel en zorgaanbod) klein wordt. Het is toegankelijk voor de 'gewone' klant. Kennis wordt gedeeld. En de co-creatie heeft als gevolg dat mensen op horizontaal niveau met elkaar tot nieuwe inzichten komen. Samen komen tot nieuwe producten. Is dit nu een vorm van boundary crossing of van bruggenbouwen? Ik denk beide, Menzis gaat over de grens door de klant te betrekken bij het maken van beleid. Het is een vorm van boundary crossing door de grens te verleggen wordt de binding juist verstevigt tussen verschillende praktijken (de zorgverzekeraar en de verzekerde) en dit vindt plaats door middel van het digitale platform (de bruggenbouwer).
Ik sluit af met een woord dat Iris Bogers noemde en dat ik niet ken: dialoogpotentieel. Bij al deze vormen waarbij grenzen overschreden worden is het belangrijk dat er ruimte is voor dialoog! Wat mij betreft het woord van de week: dialoogpotentieel!